Onderschat nooit andermans domheid; Het succes van meestervervalser Eric Hebborn

Eric Hebborn: Drawn to Trouble. The Forging of an Artist. Uitg. Mainstream Publishing, 380 blz. Prijs ƒ 68,45.

Eind jaren zeventig werd de Brit Eric Hebborn (1934) ontmaskerd als een meester in het vervalsen van Oude Meester-tekeningen. Nadat twee Oude Meesters in de National Gallery in Washington en één in de Newyorkse Pierpont Morgan Library onecht bleken, werden nog tweeëntwintig tekeningen van Tiepolo, Parmigianino, Piranesi, Van Dyck en anderen door experts als "Hebborns' aangewezen. Na kortstondige opschudding werd de zaak snel onder het tapijt geveegd. Niemand daagde Hebborn voor de rechter, want hij signeerde nooit iets; alle toeschrijvingen waren officieel door bekende experts gedaan, en, zoals een Londense handelaar zei: “You don't want to rock the market. Faith is a delicate thing.”

Eric Hebborn keerde terug naar zijn huis in de heuvels buiten Rome, en maakte, zoals nu blijkt uit zijn pas verschenen autobiografie Drawn to Trouble, nòg eens vijfhonderd originele Oude Meester-tekeningen, die weer moeiteloos, vaak via dezelfde experts, hun weg vonden naar privé- en museumcollecties over de hele wereld. Want Hebborn geloofde indertijd niet dat hij "ontmaskerd' was. De ontdekking van die eerste vervalsingen in de Verenigde Staten was het gevolg van een van zijn jeugdige onzorgvuldigheden, en de andere tweeëntwintig waren daarna erg makkelijk te traceren geweest.

Eric Hebborn, zo blijkt nu, had ten tijde van zijn "ontmaskering' geen vijfentwintig Oude Meester-tekeningen gemaakt, maar meer dan zeshonderd. Ze pronken allemaal met een fraaie toeschrijving in een collectie Oude Prenten en Tekeningen en worden door de maker regelmatig met lyrische bijschriften op tentoonstellingen aangetroffen. Soms worden ze geveild, voor prijzen tussen 80.000 en 150.000 pond - 150 tot 400 keer de prijs waar Hebborn ze indertijd voor verkocht. Menig collectioneur zal een van zijn belangrijke stukken tot zijn schrik in Drawn to Trouble als een "Hebborn' tegenkomen.

Pak slaag

Hebborns jeugd lijkt afkomstig uit een roman van Dickens: hij wordt niet alleen veel en hard geslagen maar lijdt bovendien tot ver in zijn tienerjaren regelmatig honger. Zijn eerste succes als tekenaar heeft hij bij zijn moeder, die hem een pak slaag geeft omdat ze niet gelooft dat hij een uit school meegebrachte tekening zelf gemaakt heeft. Nadat hij zijn school in brand heeft gestoken omdat hij gestraft werd "wegens het in brand willen steken van zijn school' (hij verzamelde afgebrande lucifers om mee te tekenen), vervolgt hij zijn carrière in verschillende pleeggezinnen. Humoristisch beschrijft hij in het eerste deel van zijn autobiografie een stoet merkwaardige karakters: uit zijn dorp, uit de pleeggezinnen, uit de voorstad van Londen waar hij daarna woont, en vooral uit zijn eerste academiejaren, aanvankelijk op Chelmsford - en daarna op Walthamstow Art School (samen met onder anderen Peter Greenaway), waar hij gegrepen wordt door het werk van Walter Sickert (1860- 1942), leider van de Londense impressionistisch-realisten.

Op 21-jarige leeftijd wordt hij als veelbelovend leerling aangenomen door de Royal Academy of Art, toen nog waardiger en Victoriaanser dan nu. Hij wint er prijzen voor knappe traditionele tekeningen, en maakt een snelle, korte carrière in de werkplaats van "Mr Aczel', die in het steegje naast de academie aankomende restaurateurs zoekt. Meneer Aczel werkt voor de beste kunsthandelaren in Bond Street en omgeving, en de werkzaamheden variëren van eenvoudig schoonmaken van oude schilderijen, het verfraaien van een achtergrond met bloemen, en het vervangen van een commercieel minder aantrekkelijke figuur (zoals Jozef in de Heilige Familie) door een prettig bosschage, tot het verjongen en "opknappen' van een oudere-vrouwenportret.

Blunt

In 1959 wint Hebborn de Prix de Rome; hij brengt twee jaar door op de British School in Rome en sluit daar een (platonische) vriendschap met Anthony Blunt, "Keeper and Surveyor of the Queen's Pictures' en dé kunstexpert van Engeland. “We spent the greater part of our time together drinking and discussing Old Master drawings and I learnt a great deal, not only about the drawings themselves but what goes on in the minds of the experts who view them.” Hebborn probeert de later als spion voor de Russen ontmaskerde Blunt uit te leggen dat alle goede tekeningen gemeenschappelijke kenmerken hebben, in welke tijd ze ook gemaakt zijn; maar “the eminent art historian did not want the very foundation of his discipline questioned”.

Hebborn ziet in Blunts instelling een uitdaging. Samen met zijn vriend begint hij de Pannini Gallery ("not all the drawings were fake; only the more interesting ones'), eerst in Londen, later in Rome, nog later in de Romeinse heuvels. Hij schrijft dat hij een "morele code' opstelde voor Oude Meester-tekeningen van zijn eigen hand: nooit verkopen aan iemand anders dan een erkend expert; nooit méér vragen dan voor eigen werk; nooit signeren; nooit aan iemand toeschrijven, tenzij dit eerst door een expert is gedaan; nooit een voordeel-situatie creëren, door bijvoorbeeld een haastige beslissing te forceren; nooit een expert omkopen; nooit de beslissing van een expert in twijfel trekken, tenzij door een andere expert een andere beslissing is genomen. Het verhindert allemaal niet dat hij veel geld verdient.

Hebborn maakt nooit kopieën, maar nieuwe tekeningen "in the manner of...', waarbij hij bekende elementen verwerkt of variaties op bestaande tekeningen maakt, een bekend onderwerp neemt of een "voorstudie' maakt van een bestaand schilderij. Zijn succes dankt hij naar eigen zeggen niet alleen aan een bijzonder tekentalent of het vermogen zich volledig in te leven in de gedachtengang van een andere kunstenaar, maar ook aan het vermijden van de belangrijkste vervalsersfout: het angstvallig en daardoor levenloos imiteren van alle stijlkenmerken.

Nog belangrijker acht Hebborn zijn psychologisch inzicht in de belangrijkste schakel van de kunsthandel: de expert. De ergste stumpers bevinden zich in de Prentenkabinetten van musea; daar komt Hebborn weinig, want dat zou niet sportief zijn. Op de kunstmarkt vindt hij de grootste oplichters, maar ook de briljantste kenners: de Londense handelaar Hans Calmann, de experts van de befaamde kunsthandel Conalghi's, een enkeling bij Christie's en Sotheby's. Maar hoe briljant de kenner ook is, Hebborn bewijst dat hij als tekenaar altijd dingen ziet die een expert niet kàn zien omdat die het vak niet van binnenuit kent: “Een kunst-expert is een bibliotheek-archivaris die niet kan lezen.” Een aantal van die dingen wil de expert soms ook niet zien, omdat het ontdekken van een interessant werk zijn grootste geluk is.

Meewarig

Hebborn bezorgt ze dat geluk, door altijd zelf met de verkeerde "vermoedens' bij een van hen aan te kloppen of door een tekening "toevallig' in hun omgeving te laten rondslingeren. Hij weet dat experts altijd meewarig neerkijken op andere kenners, en voor één van zijn "moments of delightful duality' zorgt Hans Calmann, die een "Hebborn' waarmee Anthony Blunt niet goed raad wist, aan Poussin toeschrijft, met de opmerking: “My dear Eric, never underestimate the stupidity of others.”

Voor de gewone lezer is het onbegrijpelijk dat wanneer een werk eenmaal door een bekend expert is toegeschreven aan een belangrijk kunstenaar, ook musea volledig voorbijgaan aan het feit dat bijvoorbeeld over de geschiedenis vóór 1961 van "een tekening van Breughel' niets bekend is. Geen wonder dat er jaarlijks voor zes miljard dollar aan kunst gestolen wordt. Niemand is er kennelijk in geïnteresseerd waar een "interessant werk' werkelijk vandaan komt. De oplichters, zegt Hebborn, zijn de kunsthistoricus die overal etiketten opplakt en de handelaar die zijn prijs daarop baseert. Hij zelf is geen vervalser, maar iemand die gebruik maakt van de misvatting dat een kunstwerk de kenmerken draagt van de persoonlijkheid van de kunstenaar en van de tijd waarin het gemaakt is, en van de fictie dat deze door de kenner objectief te beoordelen zijn.

Het probleem van de verblinding die uitgaat van het "aura' van een kunstwerk, van een naam, van een stijl, van geld, van kennis, van de geschiedenis en ouderdom van een object en van zijn omgeving en context, is in de jaren dat Hebborn zijn meer dan duizend Oude Meesters maakte een nieuwe kwestie in de beeldende kunst geworden. Hebborns merendeels onbekende en over de hele wereld verspreide oeuvre is een interessante bijdrage. Zo is hij zijns ondanks toch een "kunstenaar van zijn tijd'.