Mandela terug op boerderij waar hij werkte als "kok'

LILLIESLEAF, 3 JAN. Onlangs maakte Nelson Mandela een reisje terug in de tijd: hij bezocht de boerderij Lilliesleaf Farm in Rivonia, de schuilplaats van waaruit hij ondergronds opereerde nadat in 1960 het ANC was verboden, en waar later de voltallige ANC-leiding werd gearresteerd om tot levenslang te worden veroordeeld in het "Rivonia-proces'.

Er heerst een nostalgische maar ook enigszins verwarrende sfeer als Mandela door de huidige eigenaar, Helmut Schneider en zijn vrouw Veda, in het oude, grillig gebouwde woonhuis wordt rondgeleid: er is in de tussentijd veel veranderd, in het huis en op het land.

Wat ooit een afgelegen boerderij was op de oever van de Braamfonteinkreek is nu de buitenwijk Rivonia Extension, waar de hoeve van Lilliesleaf zich bevindt op Winston Avenue 8 en de overige gebouwen zijn verdeeld over diverse percelen. Het vroeger met riet gedekte huis heeft nu een pannendak.

Een stroom herinneringen komt terug als de Schneiders Mandela meenemen naar de kamer van hun dochter Kirsten, die hij herkent als de kamer waar hij geslapen heeft. Mandela vertelt dat de boerderij destijds op naam van een trust voor het ANC is gekocht en dat hij er, als de tuinman-kok David, van september 1961 tot januari 1962 heeft gewoond om het huis in te richten als het hoofdkwartier van de militaire vleugel van het ANC, Umkhonto we Sizwe (Speer der Natie), die werd gevormd nadat de politieke organisatie was verboden.

“Ik liet mijn baard staan en liep rond in een sjofele oude jas”, zegt hij.

Arthur Goldreich, een blank ANC-lid, deed zich voor als de heer des huizes en woonde er met zijn gezin.

Mandela wijst op een boom in de tuin waar hij eens met een luchtdrukpistool een spreeuw had geschoten. Toen het vogeltje op de grond viel vroeg Goldreichs zesjarige zoontje verwijtend: “Waarom doe je dat, David? Waar is de moeder van dat vogeltje?” Mandela: “Het heeft me dagenlang dwarsgezeten. Het was een les in ecologie van een zesjarig jochie. Ik zwoer dat ik nooit meer een levend wezen zou doden”.

Als we de tuin door lopen, houdt Mandela plotseling zijn pas in en vraagt met een bezorgde blik wie de buren zijn. “Ik heb daar iets begraven”, zegt hij, en uit het gebaar van zijn gekromde wijsvinger blijkt dat het om een geheime wapenvoorraad gaat.

“Vijftig passen van de keukenmuur, naast een eik”, dreunt hij op. “We groeven een kuil, zo diep dat een ploeg hem niet bloot zou leggen; toen rolden we de spullen in golfijzer en plastic, legden er een laag grind en nog een golfplaat overheen tegen de regen, en gooiden de kuil weer dicht. Ik ben benieuwd of hij ooit door iemand ontdekt is.”

Peter en Alice Massey, die al zeven jaar in het bewuste huis wonen, weten niets van een wapenvoorraad, maar zeggen dat er onder hun keukenvloer een paar jaar geleden wel een gat is ontstaan. “Het was een soort verzakking”, vertelt Peter Massey. “We konden niet zien wat er onder in die kuil zat, maar we hebben een aannemer moeten laten komen om hem vol beton te storten.”

Mandela weet ook nog hoe zijn aandacht eens werd getrokken door twee blanke jongens die bij de kreek op vogels joegen. “Ik ging naar hen toe, om een praatje te maken en te vragen wat ze daar deden”, zei Mandela. “Het was uit het oogpunt van veiligheid een erg domme zet, want volgens mij hadden ze al gauw door dat ik niet zo maar een tuinman was. Ze wilden weten hoe het kon dat ik zo goed Engels sprak. Ik wist niets beters te zeggen dan dat ik in de oostelijke Kaap op school was geweest en naar Johannesburg was gekomen met mijn baas, die een goed mens was.”

“Later kwam er een brief, gericht aan de baas, waarin de vader van die jongens vroeg of hij eens met David kennis kon maken.” Mandela betwijfelt of dat incident tot de inval heeft geleid, maar geeft toe dat die waarschijnlijk het gevolg is geweest van dit soort onvoorzichtigheden. “We hebben veel fouten gemaakt”, zegt hij.

Ten slotte zou hij niet bij de inval aanwezig zijn. In januari 1962 vertrok hij op een rondreis langs Afrikaanse landen om daar beurzen en militaire training voor Umkhonto-recruten te regelen.

Op 22 juli keerde hij terug. Twee weken later werd hij aangehouden bij een controlepost nabij Durban na een bezoek aan de voorzitter van het ANC, chief Albert Luthuli, die door de rechter in zijn bewegingsvrijheid was beperkt.

Mandela werd wegens het illegaal verlaten van het land veroordeeld tot vijf jaar gevangenschap op het Robbeneiland. Daar zat hij toen een jaar later, op 12 juli 1963, de inval in Rivonia plaatshad. Walter Sisulu, thans vice-voorzitter van het ANC, werd samen met acht anderen gearresteerd in het woonhuis van Lilliesleaf.

Goldreich en nog een blank ANC-lid, Harold Wolpe, ontsnapten op spectaculaire wijze uit het hoofdkwartier van de veiligheidsdienst en wisten uiteindelijk naar Engeland te ontkomen. Mandela werd van het Robbeneiland gehaald om als hoofdverdachte samen met de zeven anderen terecht te staan. Allen werden tot levenslang veroordeeld.