Louter denken is vivisectie; Dora van der Groen over emoties, echtheid en spel

De actrice Dora van der Groen debuteerde onlangs als regisseur. Haar "Thyestes' is aards en zintuiglijk - zelf zegt ze graag dat theater moet "stromen'. Ze vindt het belangrijk dat zowel acteurs als publiek zich ontvankelijk betonen voor wat er op het toneel gebeurt. “Mensen zijn bang en daarom willen ze vastigheid. Ik kan alleen maar proberen iets in beweging te zetten.”

“Succes laat mij koud.” Dora van der Groen zegt het zo beslist als haar zachte stem toelaat. Meteen volgen de nuanceringen: “Ik ben wel blij hoor, maar er zijn nu eenmaal trappen van blijheid. Mij boeit vooral het proces tussen het uitgangspunt, de tekst, en het resultaat, de voorstelling. Als de première niet had vastgelegen, was die er niet gekomen. Voor mij is het onderzoek het belangrijkste. Vanaf het moment dat de voorstelling herhaald moet worden, krijg ik het moeilijk. Maar ja, acteurs willen spelen, hè.”

Dat doen de acteurs dan ook, ongetwijfeld met plezier. Thyestes, een bewerking van Seneca's gelijknamige drama door Hugo Claus, trekt van Zwolle tot Haarlem volle zalen. Af en toe zal het publiek na de proloog van het bloedige stuk, waarin koning Atreus zijn broer Thyestes diens eigen kinderen als feestmaal opdist, een kabouter met grote rode puntlaarzen van rechts naar links over het toneel zien schuiven. Dat is dan Dora van der Groen, die als Hitchcock in zijn films, even ten tonele verschijnt. Ze doet het als ze naar de voorstelling komt kijken, ter verhoging van de verwarring die ze in de proloog wil stichten en "bij wijze van cadeautje aan de spelers'. Méér wil ze over dat laatste niet zeggen. Zodra je zoiets intiems gaat uitleggen, maak je het kapot.

Thyestes is Van der Groens eerste professionele regie, bij Het Zuidelijk Toneel. De debutante is 64 jaar en wordt "de moeder van de Vlaamse Golf' genoemd, een eretitel die bij de draagster een lakoniek schouderophalen uitlokt. Tegelijkertijd onderkent ze de kwaliteit van de generatie Vlaamse theatermakers en acteurs die de afgelopen tien jaar een vaste plaats veroverd heeft in het Nederlandse toneel en die, uitzonderingen daargelaten, opgeleid is aan het Antwerpse Conservatorium waar zij sinds 1978 de leiding heeft over de toneelafdeling. En het verschil met Nederlandse vakgenoten is voor haar duidelijk: “Nederlanders dénken misschien te lang en denken zonder verbinding te leggen met het gevoel werkt ontluisterend. Louter denken is vivisectie en daar houd ik niet van. Ik houd van levende dieren.”

Van der Groen is van huis uit actrice, afkomstig uit de school van Herman Teirlinck. Haar meeste rollen speelde zij in de jaren vijftig en zestig, bij de Koninklijke Nederlandse Schouwburg in Antwerpen, bij de Koninklijke Vlaamse Schouwburg in Brussel en bij het Théâtre du Parc. In Nederland verwierf Van der Groen vooral bekendheid door de film Dokter Pulder zaait papavers. Ze is waarschijnlijk de enige die niet betreurt, dat ze betrekkelijk weinig op het toneel te zien is geweest. Ze vindt het "gevaarlijk van haar gevoelens haar beroep te maken'.

“Ik ben een "momentmens', ik sleep niets mee aan verleden of toekomst. Ik ben alles waartoe het moment me als het ware veroordeelt: de ene keer is dat actrice, de andere keer docent, regisseur, huisvrouw of wat al niet. Ik weiger afhankelijk van theater te zijn. En eigenlijk wil ik liever zo weinig mogelijk met theater te maken hebben. Ik zie maar heel weinig. Omdat ik weet hoe het gemaakt wordt, kijk ik er dwars doorheen. Ik laat me niet vangen door de illusie, tenzij die perfect is. En dat is hoogstzelden het geval.”

Onheilszwanger

In Thyestes laat Van der Groen zelf geen middel onbenut om de illusie op te roepen. Haar enscenering is aards en ritualistisch. De wraak, de wanhoop en de liefde worden bijna aanraakbare emoties door de ongekende intensiteit van het spel en de visualisering van de onheilszwangere riten. Tijdens de kroning doopt Atreus de voeten van zijn broer in bloed, zijn kroon is een over zijn haar getrokken witte streep. En als het slechts uit één man bestaande koor de slachting van Thyestes' kinderen nabij weet, wordt zijn relaas steeds onderbroken door een hard, snerpend geluid "als van het slijpen van immense messen', zoals Van der Groen zelf zegt. Haar regie maakt het op ondefinieerbare wijze begrijpelijk, dat de voorstelling eindigt met een omhelzing van de bloedvijanden Thyestes en Atreus.

Dat het strikt beschouwd onlogische slotbeeld aanvaard wordt als het enig mogelijke, heeft volgens Van der Groen te maken met religie. “Theater is religie, het is eenwording. Het gaat om overbrenging van vibratie, het publiek moet op dezelfde frequentie als de voorstelling gaan vibreren. Ik schep klimaten. Het publiek huilt niet om Thyestes en zijn kinderen, hun drama is voor de toeschouwer slechts aanleiding om te huilen om zijn eigen verdriet. Op dezelfde manier moet een tekst voor de acteur aanleiding zijn tot verbeelding. Zintuiglijke ver-beel-ding - dat woord zeg ik in lettergrepen, om het belang ervan te onderstrepen.

“Verbeelding is het concretiseren van abstractie. Het abstracte moet zintuiglijk gemaakt worden. Het publiek moet niet alleen zien en horen, maar ook ruiken en voelen. Acteren is voor mij beeldhouwen, het vorm geven aan massa en ruimte. Buiten de geschreven tekst is er niets dat niet ruimtelijk is. Emoties moeten drie-dimensionale beeldhouwwerken worden, waar je omheen kunt lopen, dus geen schilderij. In een museum heb je niet de neiging een schilderij aan te raken, terwijl een beeld die behoefte onweerstaanbaar oproept. Aanraken schept intimiteit; en theater, goed theater vraagt intimiteit. Dat kun je niet vastpakken, dat moet stromen: ik weet er geen ander woord voor. Het moet stromen, zoals je leven stroomt, van het verleden naar het nu en van het nu naar de toekomst. Dat alles is ondeelbaar, net als je wezen, het denken, je hart, je seksualiteit, je gronding. Gronding, ja. Dat alles is je totempaal.”

Lege handen

Tijdens de voor Van der Groen zo belangrijke repetitieperiode laat zij bewust "chaos' ontstaan. Op onberedeneerde wijze brengt zij daarin samen met de acteurs "helderheid, kleur, tempo en altijd maar weer: stroming'. Maar als de acteurs uiteindelijk op het toneel staan, dan is dat wat haar betreft "met lege, open handen'. “Ik zeg altijd tegen de acteurs, dat ze het moment moeten spelen, zonder zich zorgen te maken over de 138 bladzijden tekst die daaraan vooraf gingen. Al dat leed en al die vreugde van het verleden zijn al in hun neergedaald, daar moeten ze niet bewust aan denken. Dergelijk bewustzijn werpt alleen maar hindernissen op en belemmert de openheid.”

Anderzijds wil Van der Groen wel dat haar spelers weten, dat er een publiek is. “Het publiek mag niet verdrinken. De acteur wil iets mededelen, dus moet hij zorgvuldig zijn in zijn dosering. En die heeft niets met beheersing te maken, want dat riekt naar tegenhouden. Ik blijf correcties aandragen, omdat ik wil dat er op het scherp van de snede gespeeld wordt, maar die correcties gaan nooit over uiterlijkheid of gebaren. Gebaren bestaan niet in theater, het gaat om een innerlijke voedingsbodem. Alles wat van binnenuit gevoed wordt, is echt. En die echtheid is nodig om mensen zichzelf te laten herkennen, om ze mee te laten maken wat er op toneel gebeurt. Zij moeten verleid worden af te dalen in hun totempaal.”

Zoals haar woordkeuze al doet vermoeden is Van der Groen "aan het denken gezet' door onder anderen de Baghwan, ze leest zijn toespraken nog steeds. Zij is ervan overtuigd, dat er mensen-zonder-poëzie bestaan, mensen die als machines of robotten opereren, maar als een protest tegen onmenselijkheid beschouwt zij Thyestes niet. Voorstelling en stuk gaan wat haar betreft over "eeuwigheid' en "kosmos', vooral in het slotbeeld. “Dat betekent niet: met liefde overwin je alles. Dat is me te prutserig. Kosmos is veel groter, allesomvattend. Het is een instelling, een uitstraling, niet-rationeel. Van Baghwan heb ik het spel geleerd, het spelen met onwrikbare patronen waaraan zoveel mensen doodgaan. Hij heeft me geleerd me te verwonderen, aandachtig te zijn, te gewaren, ja dat is het woord: gewaren.”

Niet het gevecht, maar ontvankelijkheid. Gevraagd naar het nut daarvan in het licht van bij voorbeeld de opkomst van het Vlaams Blok in haar woonplaats Antwerpen, hult Van der Groen zich aanvankelijk in stilzwijgen. Dan zegt ze: “Blokvorming is het tegendeel van begrip hebben voor elkaar. Het heeft allemaal met angst te maken. Mensen zijn bang en daarom willen ze vastigheid. Ik kan alleen maar proberen iets in beweging te zetten, de beweging zelf heb ik niet meer in de hand. Ieder van ons wordt uiteindelijk teruggeworpen op zichzelf. Als je naar binnen kijkt, kun je op een rots gaan zitten en je je hele verdere leven geen moment vervelen. De enige voorwaarde is, dat je te eten hebt. Je kunt nog zoveel filosoferen, als je niet voldoende te eten hebt, kun je je die luxe niet permitteren.

“Over drie maanden ga ik met pensioen en het allerliefste deed ik dan helemaal niets meer. Zover ben ik helaas nog niet. Ik ga een nieuwe regie doen bij Het Zuidelijk Toneel, van de abele spelen, iets heel anders dus dan Thyestes. Het zij zo, ik doe het met liefde en plezier. Maar ik weet dat mijn bezigheden heel weinig met leven te maken hebben. Leven doe je pas als er stilte is en tijd. Dan pas krijg je zicht op een andere wereld. Dat ik daar nog geen deel van uitmaak, is een kwestie van onvermogen.”