Israels lange weg naar succes; Onze koppigheid heeft goed gewerkt

Er bestaat geen twijfel over dat zij die onze minister-president Yitzhak Shamir als "koppig' omschrijven, in zekere zin gelijk hebben. Koppigheid is echter niet altijd een negatieve karaktertrek, zeker niet als zij wordt aangewend voor het verdedigen van een goede zaak. Vanzelfsprekend ziet een Israelische ambassadeur een en ander in dat licht. Evenals het vanzelfsprekend is dat onze critici een andere visie zijn toegedaan.

Ik wil proberen de "ratio' achter drie van Shamirs "koppigheden' in de laatste drie jaar te rechtvaardigen. Alledrie hebben Israel blootgesteld aan zware kritiek en ik geloof dat van alledrie de juistheid is aangetoond, niet alleen vanuit Israelisch gezichtspunt (wel belangrijk, maar natuurlijk niet relevant voor onze critici) maar ook vanuit het standpunt dat deze critici verdedigen.

Laten we de eerste "de lange weg naar Madrid' noemen. Het beeld dat in een groot deel van de media naar voren kwam, toonde Israel als een land dat "gedwongen' werd aan de onderhandelingstafel plaats te nemen. Israels tegenzin om te zwichten op sommige punten voor druk door zijn vrienden - de VS en andere landen - werd als voorbeeld aangehaald. Maar wat was in werkelijkheid het geval?

In mei 1989 presenteerde Israel een vredesplan met de volgende hoofdpunten: directe vredesonderhandelingen tussen de partijen; vrede met de Arabische landen (hun oorlogen lagen ten grondslag aan het Palestijnse probleem) moet een integraal onderdeel vormen van het vredesproces; de eerste, niet-definitieve, stap om het Palestijnse probleem op te lossen bestaat uit zelfbestuur; er is internationale en interregionale samenwerking nodig om deze vrede te verstevigen.

Ik voer aan dat, vanaf mei 1989 (plan) tot oktober 1991 (Madrid) Israel en alle Israelische ambassadeurs alles in het werk hebben gesteld om dit vredesplan overeind te houden. En met succes. In 1991 zijn de vredesonderhandelingen precies volgens plan in Madrid begonnen. Maar wat was het een lange weg voor wij er waren. Wij kregen te horen dat het een internationale conferentie moest zijn en daar verzetten wij ons hardnekkig tegen. Wij kregen te horen dat de PLO deel zou nemen in de onderhandelingen: ook daartegen verzetten wij ons. Men zei ons dat de Arabische landen niet wilden deelnemen omdat zij van mening waren dat alleen het Palestijnse vraagstuk en de terugtrekking van Israel op de agenda behoorden te staan. En ook dit probleem werd overwonnen, mede door de veranderingen door de Golfoorlog. Wij hebben met succes stand gehouden tegen de druk, terwijl ieder aspect van ons plan werd verdraaid en gewijzigd.

"Koppig' als we waren hielden wij vast aan ons oorspronkelijke plan en men zal moeten toegeven dat Madrid een succes was en een goed begin. Waarom waren er tweeëneenhalf jaar vol druk, afwijzing, bijna sancties voor nodig om zover te komen? Voor wat ons betreft had Madrid al in juni 1989 kunnen plaatsvinden.

Het tweede punt betreft de "4-12-9-12'-kwestie in Washington. De Verenigde Staten van Amerika nodigt uit, de Arabieren nemen de uitnodiging aan, Israel "speelt spelletjes' en weigert op 4 december aanwezig te zijn: ze willen pas op 9 december komen. Dat klinkt inderdaad vreemd, nietwaar? Maar wat was in werkelijkheid het geval? De Verenigde Staten, in hun oprechte verlangen om het vredesproces te versnellen, gaven er de voorkeur aan een kortere weg te nemen die echter zou hebben kunnen leiden tot kortsluiting. Wat ze zeiden was iets met de volgende strekking: “Wij zijn allemaal voorstanders van directe onderhandelingen, wij steunen zelfs Israels filosofie dat dit de enige manier is om vrede te bereiken: maar niet voor onbepaalde tijd. Jullie krijgen een tijdslimiet (in dit geval drie weken): “Zorg voor resultaat, anders zullen wij de uitkomst voorschrijven.” Als zo'n gedragslijn wordt gevolgd kan dat alleen maar leiden tot verkleining van de kans op directe onderhandelingen. Het is duidelijk dat zodra de procedurele problemen zijn opgelost (sommige procedurele oneffenheden zijn tegenwoordig in feite hoofdzaak), wij de veel belangrijker hoofdzaken zullen moeten aanpakken. Moeilijke onderwerpen als grondgebied, water, nederzettingen en veiligheid zijn alleen maar evenzovele onderwerpen op een ingewikkelde veelomvattende agenda die ieders geduld en onderhandelingsbekwaamheid zwaar op de proef zal stellen.

Als de Arabieren ervan overtuigd zijn dat na twee (of twintig) weken nutteloos onderhandelen de Verenigde Staten hun eigen, haast bindende blauwdruk zullen presenteren (en hun visie op veel van de onderwerpen verschilt aanmerkelijk van die van Israel), kan je dan echt nog verwachten dat de onderhandelingen nog een reële kans hebben? Zouden de Arabieren aan zulke onderhandelingen deelnemen met iets van bereidheid om wat op te geven teneinde een overeenkomst te bereiken? Dat is dan ook precies de reden waarom koppig Israel "neen' zei tegen de eerste tekenen van een afgedwongen oplossing en gelukkig had die slechts betrekking op een minder belangrijke, procedurele kwestie.

Voor de Arabieren was dat een schok, maar het signaal kwam over (zie bijvoorbeeld het artikel van Michael Stein in NRC Handelsblad van 14 december). Een week lang werd geprobeerd terug te keren naar het oude systeem van dwang, waar zij hun hoop op hadden gevestigd. De Palestijnen hoopten op die manier de geef-en-neemhouding te doorbreken en wachtten op voortzetting van systematische interventie door de Amerikanen. De Verenigde Staten onthouden zich echter van interventie als die niet door beide partijen wordt gewenst. Ik opper dat de vrede, de Palestijnen, wijzelf en de Amerikanen daar allemaal wel bij varen. Een veel ernstiger crisis in de vervolgonderhandelingen (die in januari beginnen) kon hiermee worden vermeden.

De derde belangrijke koppigheid betreft onze weigering om met de PLO te praten. In het verleden zijn alle mogelijke definities op hen van toepassing gedacht, van "echte vertegenwoordiger' tot "onvermijdelijk kwaad', teneinde hun deelname aan de onderhandelingen te rechtvaardigen. Onze bewering dat zij de belangrijkste hindernis vormen voor iedere vorm van vredesonderhandelingen werd beschouwd als niet meer dan een excuus om een oplossing op de lange baan te schuiven. Velen hadden op een bepaald moment wel wat te zeggen ten gunste van hun deelname - van de Verklaring van Venetië tot de organisatoren van een filmfestival in Amsterdam.

Wij waren koppig, maar ik moet toegeven dat ons succes nog toenam door het optreden van de PLO zelf? Geef hun Saddam Hussein en de hoop Israël te kunnen vernietigen en Arafats optreden in 1988, zo hogelijk geprezen als een "vredeshouding', is zoek in de omarming van een nieuw ontdekte medestander. Geef hem de kans voor repliek, anti-Westers, anti-Glasnost of een door militairen geplande putch in Moskou en al zijn goede voornemens zijn vervlogen. Razend verlaat hij een Islamitische conferentie in Moskou omdat zijn eis voor een "heilige oorlog' niet wordt aanvaard. De PLO staat daarom tot op grote hoogte buiten het vredesproces. Dit maakt voortzetting van het vredeproces mogelijk. (Wie er nog niet van overtuigd is dat de PLO in die mate buiten spel staat zou eens een vergelijking moeten trekken tussen de situatie in oktober 1988 toen heel de Verenigde Naties naar Genève trok om het Arafat mogelijk maken daar te spreken, en de situatie in oktober 1991 in Madrid).

Men kan vrede (en naar mijn bescheiden mening ook de Palestijnen) geen grotere dienst bewijzen dan door de PLO daar te laten waar het zich nu bevindt - in een niet-zoenende relatie met de Saoediërs, een niet-participerende posititie in de opmars naar een oplossing. Niets dat heeft plaatsgevonden heeft ons kunnen overtuigen van het tegenovergestelde van de juistheid van onze koppigheid in dit opzicht: integendeel, vele critici hebben de juistheid ervan thans erkend.