Hugo Brems over poezie; Een les in duisternis

Hugo Brems: De dichter is een koe. Over poëzie. Uitg. De Arbeiderspers. 180 blz. Prijs ƒ 29,90.

Er zijn niet veel mensen die poëzie lezen. Er zijn er zo weinig dat iedere poëzielezer al bijna vanzelf een deskundige is, zo heb ik iemand wel eens horen zeggen. Het was ironisch bedoeld, maar het is in zekere zin nog waar ook. Er is een groep, of liever een groepje, van zo'n vijfhonderd tot duizend lezers die zichzelf en elkaar op de hoogte houden: een harde kern die met een zekere regelmaat nieuwe bundels koopt en leest en er soms over schrijft en bijhoudt wat de kranten en tijdschriften erover beweren. Daarbuiten bestaat de poëzie niet of nauwelijks, lijkt het. Toch weet iedereen dat ook dat weer niet waar is. Er is wel degelijk een algemener, zij het vaag geformuleerd verlangen naar ”poëzie'. Maar tussen dit verlangen en het daadwerkelijke lezen staan blijkbaar wetten in de weg, en misschien ook wel praktische bezwaren.

Het is niet anders, en het is jammer, maar er is nu eenmaal weinig aan te doen - weinig meer dan mooie boeken en bloemlezingen blijven maken. Zoals de essaybundels van bijvoorbeeld Benno Barnard, Herman de Coninck en Kees Fens: heldere verhandelingen over waar het in de moderne poëzie om gaat. Zoals de bloemlezing die Hugo Brems in 1990 liet verschijnen: de door hem samengestelde vierentwintigste druk van Dichters van deze tijd gaf een verrassend en veelzijdig overzicht van de naoorlogse poëzie, met veel ruimte voor de meest recente dichters. Zoals de vorig jaar verschenen herdruk van Vestdijks De glanzende kiemcel, nog altijd een voorbeeldige en onderhoudende studie over het wezen en de techniek van de poëzie. Zoals het dikke boek waarin Willem Wilmink zijn schriftelijke cursus dichten onderbracht: In de keuken van de muze, een jeugdige en luchtige versie van een klassieke ars poëtica.

Van al deze genres (bloemlezing, essay, ars poëtica) is wel iets terug te vinden in het nieuwe boek van Hugo Brems: De dichter is een koe, genoemd naar het gedicht van Gerrit Achterberg. Het kan nog het best gekarakteriseerd worden als een montere verhandeling over de moderne poëzie. Het bevat om te beginnen mooie recente gedichten van uiteenlopende dichters. Soms wordt er niet zo veel mee gedaan, maar soms zijn ze ook onderwerp van degelijke en precieze analyse, zoals in het geval van Kopland, Zuiderent, Gruwez, Kuijper, Korteweg, Faverey en Kouwenaar. Ze worden gesecondeerd door essayistische stukken waarin algemenere kwesties worden besproken. Er zijn informatieve en didactische passages, maar ook persoonlijke waarin Brems oproept tot tegenspraak. De toon is nu weer eens nuchter, dan weer vrijmoedig. Er is een register en er zijn nuttige aantekeningen, maar er staan ook plaatjes in, terwijl het omslag wordt gesierd door een mooie blauwe koe van Benner.

Gedachtenvlucht

De dichter is een koe is een veelzijdig boek, dat Brems zelf presenteert als ”een gedachtengang', ”geen handboek dus' en hij wekt de indruk alsof het hem min of meer overkomen is, als een uit de hand gelopen geval van gedachtenvlucht. Het begon allemaal met die koe, zomaar, in een gedicht van K. Schippers, en zij heeft min of meer de rest van dit boek op haar geweten: ”met haar loeien heeft ze de hele kudde gelokt', monkelt Brems. Dat mag zo zijn, maar dan werkt zijn associërende geest wel langs mooie lijnen van geleidelijkheid. Zijn boek is hecht gecomponeerd, bijna als een gedichtencyclus. Zijn betoog telt negen etappes die ons voeren van het verschil tussen gedichten en definities en dat tussen gedichten en verhalen naar intertekstualiteit, beeld, klank en versvorm en vandaar naar de verhouding tussen poëzie en werkelijkheid, zin en nut van poëzie en tenslotte naar de vraag of gedichten ons eigenlijk wel ontroeren - een mooie gang van buiten- naar binnenkant.

Elke etappe bestaat weer uit twee onderdelen: het eerste, steevast ingeleid door een koegedicht of koe-afbeelding, is tamelijk impressionistisch van karakter; het tweede, steeds opgehangen aan een water-gedicht, is meer beschouwend van aard. En natuurlijk eindigt het geheel, zoals veel moderne gedichten, mooi rond: met het gedicht en het woordenboek waarmee het op de eerste pagina allemaal begon.

En net als bij een cyclisch gedicht moeten wij ons afvragen of deze queeste langs zoveel koeien en zoveel water nu iets heeft opgeleverd. “Dit boek wil laten zien hoe een gedicht werkt”, zegt Brems in het begin, en aan het eind hebben we daar inderdaad veel van gezien. Maar er is meer. Vooral in de kleine onderdelen zijn veel treffende observaties en verrassende formuleringen te vinden. “Het gedicht is een neologisme”, zegt Brems in zijn eerste hoofdstuk, om aan te geven dat het gedicht zich per definitie aan bestaande definities onttrekt, een gedachte die vaker terugkeert. In het hoofdstuk over intertekstualiteit kunnen we lezen waarom het tegenwoordig zo slecht gaat met de inspiratie: veel hedendaagse dichters zijn zich ervan bewust ”dat zij spreken en dat er intussen in hen gesproken wordt; niet door een engel van goddelijke oorsprong, maar door de gonzende resonantie van andere teksten.' In een stuk over ”De dichter is een koe' en ”Melkknecht' van Achterberg verzet Brems zich tegen het al te eenzijdig metaforisch lezen: dat de dichter een koe, de lezer een melkknecht, en het gedicht een emmer melk is, en dat daarmee de kous af zou zijn. Elders gaat hij in discussie met Vestdijks beroemde interpretatie van Jan Engelmans ”Vera Janacopoulos'. In het laatste hoofdstuk worden twee op het eerste gezicht verschillende dichters als Kouwenaar en Nolens overtuigend in elkaars buurt gebracht. En nog niet eerder zag ik de eeuwige kwestie van vorm en inhoud zo doeltreffend vergeleken worden met die van de kip en het ei. Overigens pretendeert Brems niet hierover het laatste woord gezegd te hebben: “(-) een afdoend antwoord zal er niet komen”.

Ingewikkeld

Met dezelfde souplesse worden wel eens vaker lastige vragen omzeild: “Ik heb geen zin om...”, “Ik ben niet van plan om...”, “We gaan geen discussie openen over namen en definities, nu niet”. En soms laat Brems zich bij wijze van uitvlucht ook wel eens verleiden tot tovertaal. Dan gaat het over het verhaal van de “lotgevallen in het spanningsveld tussen de woorden en binnen de woorden, tussen het ja en het neen van ”alsof' ”, of over het sonnet dat “een interpretatie van het sonnet als vorm is, zoals overigens ieder gedicht een interpretatie is van poëzie als vorm en genre”. Maar dat valt iemand die bereid is zo diep door te dringen in het overbewustzijn van veel moderne dichters gemakkelijk te vergeven. “Maar er moet toch iemand zijn die zich ontfermt over al dat gefluister en gemompel van de taal”, vraagt hij na een lange en ingewikkelde uitweiding.

Zo'n verontschuldiging is typerend voor de mentaliteit en de houding van de essayist Brems: hij houdt van wat hij bespreekt, hij heeft gevoel voor humor, hij heeft een brede smaak, hij heeft geen voorliefde voor moeilijke dingen, maar soms zijn moeilijke dingen mooi en mooie dingen moeilijk en dan weigert hij te buigen voor ingewikkeldheden, terwijl hij bij dat alles ook nog eens weet dat zijn eigen woorden het vaak moeten afleggen tegen de woorden van het gedicht in kwestie. Soms is een gedicht, naar een regel bij Nolens, ”een les in duisternis'. Maar gelukkig is een essay, zoals dit van Brems, dat soms ook.