Het Rembrandtresearchproject; Tussen goedgekeurd en afgekeurd liggen allerlei nuances

In het Cultureel Supplement van 29 november schreef Gary Schwartz over zijn bezwaren tegen het Rembrandt Research Project. Twee weken later publiceerden wij het antwoord van Ernst van de Wetering. Vandaag Schwartz' dupliek: “In plaats van op mijn argumenten in te gaan, bindt Van de Wetering de strijd aan met een aantal stromannen die hij "Schwartz' noemt.” En wederom een reactie van Van de Wetering: “Ik nodig Schwartz uit een kunsthistorisch onderzoeksproject te noemen waarbij met zoveel inzet alle relevante mogelijkheden van objectief onderzoek tot het uiterste zijn toegepast.”

Tot mijn grote voldoening heeft Ernst van de Wetering van het Rembrandt Research Project een uitgebreide reactie geschreven (CS 13 december) op mijn kritiek op het Project (CS 29 november). Omdat Van de Wetering op de belangrijkste punten van mijn kritiek niet is ingegaan, vat ik die weer kort samen: Het Corpus of Rembrandt Paintings van het RRP, schreef ik, dat ooit opgezet werd om de consensus over het auteurschap van Rembrandt-schilderijen te bevorderen, is integendeel uiterst controversieel geworden. Als redenen daarvoor voer ik aan dat het RRP het begrip auteurschap op een extreem beperkte wijze hanteert; dat het extreem subjectieve criteria bij toe- en afschrijvingen toepast; en dat het extreem geldige resultaten claimt.

Van de Wetering ontkent dat er iets zou mankeren aan de consensus. “De nu lopende Rembrandt-tentoonstelling (zou) nooit tot stand zijn gekomen, als er geen consensus zou hebben bestaan over het feit dat de uitkomsten van het RRP voldoende waarde hebben om als basis voor een grote Rembrandt-tentoonstelling te dienen.” Dit is een zeer ongelukkig verweer. Onder de leden van het RRP bevinden zich de toenmalige directeur van het Rijksmuseum en de directeur van de afdeling schilderijen van het Rijksmuseum. Geen Rijksmuseum, geen Rembrandt-tentoonstelling - dus geen RRP, geen Rembrandt-tentoonstelling. Om dan achteraf het RRP te legitimeren op basis van de tentoonstelling is - laat mij het neutraal stellen - een cirkelredenering.

In zijn artikel negeert Van de Wetering mijn constatering dat het RRP het begrip "auteurschap' op een extreem beperkte wijze hanteert. Dat het RRP Rembrandts auteurschap categorisch afwijst van produkten van Rembrandts werkplaats die naar zijn ontwerp en onder zijn supervisie geschilderd zijn, en die zelfs van zijn signatuur zijn voorzien, wekt onbegrip en wrevel bij velen. Dit had voorkomen kunnen worden wanneer het RRP meer trappen tussen goedgekeurde en afgekeurde schilderijen had ingebouwd. De gekozen categorieën - Ja en Nee - zijn uitgesproken grof, ook naar de maatstaven van "het gewone kunsthistorische handwerk' waar Van de Wetering zich op beroept.

Geen antwoord

Mijn tweede verwijt, dat het RRP extreem subjectieve criteria toepast, wordt door Van de Wetering als volgt vertaald: “De suggestie dat subjectiviteit gelijk staat met het doen van volstrekt vrijblijvende uitspraken, is natuurlijk onzin.” Door mijn argument op deze wijze te karikaturiseren, denkt Van de Wetering geen antwoord te hoeven geven op wat ik in feite schreef, nl. dat het RRP rigoureus alle minder subjectieve maatstaven voor de toetsing van auteurschap elimineert. Hiermee stellen zij zich in onverantwoorde mate bloot aan de machtige krachten van zelfsuggestie.

Profetisch

Het derde punt van kritiek - dat de claim van het RRP, redelijke zekerheid te kunnen verschaffen omtrent 95 procent van de door hen behandelde schilderijen, aan het profetische grenst - wordt niet rechtstreeks door Van de Wetering beantwoord. Hij schrijft: “Weliswaar worden de ideeën over de al dan niet eigenhandigheid van Rembrandtieke schilderijen nadrukkelijk als opinies gepresenteerd, maar de rigide aandoende scheiding tussen wèl en niet Rembrandt geeft toch de onjuiste indruk als zou men bij het RRP in termen van granieten waarheden denken en niet meer open staan voor discussie.” In de volgende zin loopt Van de Wetering evenwel vooruit op de uitkomst van een dergelijk gesprek: “Een hernieuwd doorwerken van het materiaal en kritische evaluatie van de eigen methodische en kunsthistorische apriori's zouden wel eens kunnen leiden tot (vermoedelijk relatief geringe) verschuivingen in het Rembrandt-beeld van het RRP.” Dit is het RRP zoals andere Rembrandtspecialisten ze kennen: overduidelijk niet bereid de eigen apriori's ter discussie te stellen.

In plaats van op mijn argumenten in te gaan, bindt Van de Wetering de strijd aan met een aantal stromannen die hij "Schwartz' noemt. In deze discussie, die niets met de kern van mijn kritiek te maken heeft, zal ik mij nu niet mengen. Alleen één belangrijk punt eist commentaar: de wijze waarop Van de Wetering mijn “merkwaardige kritiek op de rol van het natuurwetenschappelijk onderzoek bij het RRP” naast zich neerlegt.

Wallen

Van de Weterings uitleg van dit aspect van het Corpus laat duidelijk zien hoe het RRP in deze kwestie van twee wallen probeert te eten. “De natuurwetenschap (...levert) zeer sterke argumenten voor het verschijnsel, dat het grootste deel van de ooit aan Rembrandt toegeschreven werken niet pas na zijn dood, maar in Rembrandts werkplaats ontstaan moet zijn. Je kunt er daarom van uitgaan dat aan die schilderijen niet alleen met dezelfde materialen gewerkt wordt, maar dat iedereen in het atelier zich in principe ook van dezelfde werkmethoden bediende.” In andere woorden, eigenhandige Rembrandts en atelierwerk zijn niet met natuurwetenschappelijk onderzoek van elkaar te onderscheiden.

Vervolgens echter schrijft Van de Wetering: “Schwartz vergeet te vermelden dat de verschillende vormen van natuurwetenschappelijk onderzoek (-) de schilderijen, bijna letterlijk, "transparant' hebben gemaakt. (-) Ieder die wel eens met een geoloog, een bioloog of een archeoloog door de natuur gelopen heeft, kent de sensatie hoe door zijn toelichting de wereld plotseling een verrassende "transparantie' kan krijgen. Het RRP heeft dat met de schilderijen van Rembrandt gedaan. Maar de beschouwer voor wie een schilderij een bepaalde graad van "transparantie' gekregen heeft, ziet veel meer en neemt daardoor meer individuele kenmerken waar, die licht op authenticiteitsproblemen kunnen werpen.”

Inzover als hier iets beweerd wordt, moet het zijn, al is het gevat in een poëtische metafoor vol uitwijkclausules, dat de natuurwetenschappen wèl kenmerken blootleggen die het werk van Rembrandt onderscheiden van dat van zijn leerlingen. De pretentie dat het RRP tot de schilderijen van Rembrandt staat zoals een geoloog tot de aardkorst is trouwens weer een voorbeeld van het soort onwaarachtige claim dat een criticus tot wanhoop drijft. (Waarom roepen de medestanders van het RRP hen niet tot de orde wanneer ze zulke dingen zeggen?)

Iedereen struikelt wel eens over zijn eigen gedachten, zeker als je een grote, ingewikkelde problematiek aanpakt. Reden te meer om goed naar je critici te luisteren, al is andermans kritiek altijd zo onbegrijpelijk tendentieus en slecht geïnformeerd.

Postscriptum

P.S. Een pas verschenen artikel in het blad Oud Holland lijkt mij van belang voor het debat tussen Van de Wetering en mij. Daarin worden de uitspraken van het RRP over de echtheid van de signaturen op Rembrandt-schilderijen door forensische schriftexperts getoetst. Naar hun mening zijn ongeveer de helft van de signaturen op door het RRP geaccepteerde schilderijen vals. Vanaf de tijd dat de betrokken experts door het RRP geconsulteerd werden, komen de bevindingen in het Corpus aardig overeen met de statistische verwachtingen. Maar in de periode voordat het RRP de mening van experts bij hun besluitvorming betrok, was dat anders: “Nog slechter [dan bij Horst Gerson] passen in dit kader van de verwachting evenwel de uitkomsten van het RRP-team bij de 25 nog leesbare monogrammen, vermeld in de delen I en II van het Corpus, waarvan slechts 1 werd afgewezen. Van de in deel II beoordeelde 16 "RHL van Rijn'-signaturen op authentiek werk, is zelfs bij geen enkele blijkbaar aan de eigenhandigheid getwijfeld. Deze statistisch onwaarschijnlijk hoge scores van eigenhandigheid, zijn verklaarbaar als de onderzoekers zich bij een aantal beoordelingen meer hebben laten leiden door de overtuigende echtheid van het schilderij dan door schriftkundige argumen- ten.”¹)

Ik was niet op de hoogte van deze bevindingen toen ik zes weken geleden de "doorzichtige zelfsuggestie' in het Corpus aan de kaak stelde. De forensische experts leggen de vinger op dezelfde zwakke plek. Ook de ongevoeligheid van het RRP voor statistische aannemelijkheden blijkt uit het artikel in Oud Holland.

Noot

¹) W. Froentjes, H.J.J. Hardy, R. ter Kuile-Haller: "Een schriftkundig onderzoek van Rembrandt signaturen'. In: Oud Holland 195 (1991), pp. 185-204.