Het Rembrandtresearchproject; Een zinvolle discussie zal altijd welkom blijven

In het Cultureel Supplement van 29 november schreef Gary Schwartz over zijn bezwaren tegen het Rembrandt Research Project. Twee weken later publiceerden wij het antwoord van Ernst van de Wetering. Vandaag Schwartz' dupliek: “In plaats van op mijn argumenten in te gaan, bindt Van de Wetering de strijd aan met een aantal stromannen die hij "Schwartz' noemt.” En wederom een reactie van Van de Wetering: “Ik nodig Schwartz uit een kunsthistorisch onderzoeksproject te noemen waarbij met zoveel inzet alle relevante mogelijkheden van objectief onderzoek tot het uiterste zijn toegepast.”

Soms werpen geschreven documenten zo'n scherpe bundel licht in de duisternis van het verleden, dat je even het gevoel hebt dat je erbij bent; zoals in het geval van de vier mannen die in 1644 de schilderijen in het huis van één hunner liepen te bekijken. Ze hadden net een werk van de (op dat moment nog levende) Delftse schilder Evert van Aelst bekeken. Bij het volgende schilderij zei een van hen dat daar nog een mooie Evert van Aelst hing. Daarop zei een ander - de schilder Adam Pick - dat Evert van Aelst dat schilderij niet geschilderd had. De drie anderen hielden vol dat het wel een Evert van Aelst was, omdat het immers gesigneerd was (“ende de selfs naem onder de schilderij was staende”), waarop Adam Pick een pond tabak verwedde dat hij zou kunnen aantonen, dat een ander het geschilderd had en dat hij de eigenlijke schilder zou kunnen noemen. Dit voorval is zo nauwkeurig beschreven dat de mannen vervolgens naar een notaris gingen om hun weddenschap vast te leggen. Wie gewonnen heeft weten we niet, maar uit andere documenten blijkt dat Adam Pick bij Evert van Aelst in de leer was geweest en dus wist wat er in diens atelier omging.

Dit is slechts een van de vele documenten waaruit direct of indirect blijkt dat 17de-eeuwers net als wij in problemen rond eigenhandigheid van schilderijen geïnteresseerd waren. Ook in verband met Rembrandt bestaan er voldoende aanwijzingen dat het authenticiteitsbegrip dat toen gehanteerd werd weinig verschilde van datgene dat het Rembrandt Research Project (RRP) - volgens Gary Schwartz geheel ten onrechte - hanteert. Wat te denken bijvoorbeeld van een lijst van in 1648 te veilen schilderijen, waarop de aanduiding “prin(cipael) (= eigenhandig werk) van Rembrandt” werd doorgestreept en vervangen door "naer Rembrandt' (= een kopie of een werk in de stijl van Rembrandt).

In mijn vorige antwoord aan Gary Schwartz heb ik al verwezen naar het feit dat ons soort authenticiteitsproblemen ook al in de 17de eeuw speelden, en dat in deel II van A Corpus of Rembrandt Paintings een aantal van de schriftelijke bronnen waaruit dit blijkt, werden geanalyseerd. Het zal wel een polemische tactiek zijn, dat Schwartz doet alsof hij dat niet gelezen heeft. Maar de wijze van polemiseren van Schwartz zou zich wel eens tegen hemzelf kunnen keren. De krantenlezer die op dit alles getracteerd wordt is nu eenmaal afhankelijk van de informatie die door de polemiserende partijen in de discussie wordt ingebracht. Schwartz blijft echter onjuiste of onvolledige informatie aanvoeren.

Een treffend voorbeeld daarvan is de manier waarop hij de lezer om de tuin leidt in zijn triomfantelijk gebrachte laatste alinea over het signaturenonderzoek van het Gerechtelijk Laboratorium. Gemakshalve negeert hij de bescheiden inschatting door het RRP op de eigen expertise op dit gebied zoals die staat te lezen in deel II van A Corpus of Rembrandt Paintings: “Just as for the Leiden period, a critical assessment of the Rembrandt- signatures is in fact beyond our competence. In those cases where we voice our opinion that a signature is reliable this is scarcely more than an impression - one that is moreover influenced by our assessment of the painting.”

Monogrammen

Schwartz suggereert dat het, door het RRP, op ruime schaal aanvaarden van de authenticiteit van de RHL-monogrammen (= Rembrandt Harmenszoon Leidensis) op de Leidse schilderijen, door het schriftkundig onderzoek als een naïeve vorm van wishful thinking is afgedaan. Hij verzuimt echter te vermelden dat de schriftkundigen zelf schrijven: “Deze (vrij sterk variërende) monogrammen [ze zijn vaak quasi in steen gebeiteld of perspectivisch op een stuk hout aangebracht] bleken veel te weinig schriftkundige informatie te bevatten om ze in ons onderzoek te kunnen betrekken.” Dat de schriftkundigen vervolgens hun bevreemding uiten over het optimisme van het RRP over deze monogrammen hangt samen met de aard van hun statistische norm, die gebaseerd is op hun onderzoek van de veelvuldig geïmiteerde, voluit geschreven "Rembrandt'-signaturen. Schwartz zou moeten weten, dat de Leidse Rembrandt met het RHL-monogram zo weinig in het gangbare Rembrandt-beeld past, dat deze schilderijen veelal tot in onze eeuw niet als Rembrandts herkend zijn. Het laatst ontdekte vroege schilderij werd in 1975 door Henry Defoer boven het dressoir in een Arnhemse huiskamer ontdekt, het voorlaatste in 1962 door Gerson in het depot van een Frans provincie-museum etc. etc. Ieder die ook maar iets van de Rembrandt-historiografie afweet - dat kan van de zo onbevooroordeeld mogelijk opererende schriftkundigen niet verwacht worden, maar wel van Schwartz - zal inzien dat de statistische kans dat de gangbare "Rembrandt'-signatuur geïmiteerd wordt onvergelijkelijk veel groter is dan in het geval van het RHL-monogram dat zich bevindt op schilderijen die lange tijd niet als werken van Rembrandt herkend zijn. Mutatis mutandis kan hetzelfde gezegd worden over de "RHL van Rijn'-variant van zijn signatuur, die Rembrandt slechts één jaar heeft toegepast.

Dat de schriftkundigen op een aanzienlijk aantal, door het RRP als authentieke werken geaccepteerde, schilderijen valse signaturen aantroffen is wederom geen bewijs dat het RRP op subjectieve wijze maar wat aanrommelt. Uit het schriftkundig onderzoek bleek bijvoorbeeld dat in het geval van pendants (mannelijke en vrouwelijke tegenhangers) meestal slechts één van de twee een authentieke signatuur draagt - een vrij normaal verschijnsel in de 17de eeuw. Het tweede schilderij werd vaak door een latere hand van een valse signatuur voorzien. Zo zijn er meer redenen voor het voorkomen van valse signaturen op echte schilderijen, bijvoorbeeld formaatveranderingen.

Dat kon Schwartz niet weten, maar het is hem ernstig aan te rekenen, dat hij suggereert dat het RRP ook het schriftkundig werk van het Gerechtelijk Laboratorium met tegenzin ter kennis zou hebben genomen. De schriftkundigen stellen juist in de aanhef van hun artikel: “Dat met de professionele handschriftvergelijking van het signaturenonderzoek kon worden begonnen, is te danken aan de medewerkers van het RRP. Bij hen bestond niet alleen grote belangstelling voor de schriftkundige expertise, maar tevens een zekere behoefte aan een onafhankelijke toetsing van eigen beoordelingsnormen en daaruit voortvloeiende conclusies.” Schwartz wist ook, dat één van de schriftkundigen, ir. H. Hardy, al sinds enkele jaren deel uitmaakt van de groep onderzoekers van verschillende disciplines die nauw met het RRP samenwerken, namelijk vanaf het moment waarop hijzelf overtuigd was dat schriftkundig onderzoek inderdaad een bijdrage aan het Rembrandtonderzoek kan leveren.

Voorkeur

Als er sprake is van karikaturale vertekening van de opponent, dan wel in het geval van het volharden door Schwartz dat het RRP een onbedwingbare voorkeur heeft voor het gebruik van subjectieve authenticiteitscriteria en een dédain voor andere, meer objectieve onderzoeksmethoden. Ik nodig hem uit een kunsthistorisch onderzoeksproject te noemen waarbij met zoveel inzet alle relevante mogelijkheden van objectief onderzoek tot het uiterste zijn toegepast. Er is geen precedent voor de schaal waarop gericht herkomsten-onderzoek uitgevoerd is (en wordt), waarop oude reproduktie-prenten verzameld zijn, waarop röntgenonderzoek, dendrochronologisch- en weefselonderzoek zijn en worden uitgevoerd en waarop sinds een aantal jaren, (dankzij de sponsoring door DSM) systematisch verfmonsteronderzoek gedaan wordt, nadat gebleken was dat het geen enkele zin had dergelijk onderzoek te baseren op analyseresultaten van elders uitgevoerd onderzoek. Ook bij het neutronenactiveringsautoradiografisch onderzoek in New York en, zoals boven bleek, bij het schriftkundig onderzoek was (en is) het RRP actief en stimulerend betrokken.

In mijn vorige artikel heb ik al geduldig uitgelegd, dat van deze onderzoeksmethoden slechts zelden een afdoend antwoord op de eigenhandigheidsvraag blijkt te kunnen worden verwacht. Dat is geen reden om het te laten, want al dat onderzoek draagt bij tot de toename van datgene wat ik de "transparantie' van de onderzochte schilderijen heb genoemd. Ik denk dat iedere lezer van mijn vorige artikel begrepen zal hebben wat daarmee bedoeld werd, maar Schwartz (of zijn stromannen) blijken daartoe niet in staat te zijn. Al dit onderzoek draagt, het zij nogmaals herhaald, bij tot een zodanige verrijking van de kennis van het onderzochte schilderij, dat je meer ziet, letterlijk meer kenmerken kunt vergaren; kenmerken die ieder voor zich zelden doorslaggevend zijn, maar die met zijn alle meer houvast bieden bij het proces van "herkennen'. Dat is een langdurig leerproces, dat - men leze de catalogusteksten van A Corpus of Rembrandt Paintings - met veel openlijk beleden aarzeling plaatsvindt.

De geforceerde behoefte van Schwartz te scoren komt nog het meest tot uiting bij zijn voortdurend weer naar voren gehaalde punt van de "consensus' of het ontbreken daarvan. Twee leden van het RRP, werkzaam in het Rijksmuseum, hebben de nu lopende Rembrandt-tentoonstelling mede georganiseerd. Dat wil echter niet zeggen dat die tentoonstelling een inteeltprodukt van het RRP is. Immers ook Berlijn (dat overigens initiatiefnemer was), en Londen doen mee, ondanks het feit dat uit beide collecties nogal wat Rembrandts door het RRP afgeschreven zijn. De leden van het RRP verkeren bepaald niet in een isolement zoals Schwartz de argeloze lezer wil doen geloven. Dat blijkt al uit het feit dat 32 kleine en grote musea van harte deelnemen aan dit volgens Schwartz door het Rembrandt Research Project "besmette' tentoonstellingsproject.

Misschien zou hij de heer Kohnstam met zijn "Red Rembrandt'- Vereniging uit zijn isolement kunnen verlossen door zich bij deze aan te sluiten. Wat mij betreft is hiermee de discussie met Schwartz gesloten. Een zinvolle, op competentie stoelende discussie zal overigens altijd welkom blijven - dat is een wezenlijke voorwaarde voor elke vorm van wetenschappelijk werk.