Het koele licht van fotograaf Irving Penn; Wie is toch die zwijger

Hoewel hij liever schilder was geworden, wijdde Irving Penn zijn leven aan de fotografie. Opvallend zijn vooral zijn portretten van mensen in alle omgevingen en culturen: de wereld van de mode en de glamour, maar ook van zwervers en nomaden. In het nu verschenen Passage is een selectie van zijn foto's en een paar tekeningen opgenomen. “Ver weg van huis ontstonden de meest opzienbarende en de meest ontroerende opnamen.”

Irving Penn: Passage. A work record. Uitg. Gingko- Callaway, 300 blz. Imp. Idea Books. Prijs ƒ 225,-

Hij geeft zelden interviews. Praten gaat hem slecht af. En als hij eens wat zegt, hoeft er maar een knagende boktor in de buurt te zitten of je hoort zijn stem niet meer. Zijn privé-leven zit voor de buitenwacht op slot. Elk persoonlijk detail dat hij prijsgeeft heeft het gewicht van een kostbaar cadeau. We weten dat hij elke ochtend heel vroeg opstaat, het ontbijt maakt voor zijn vrouw, de trein neemt van Long Island naar zijn Newyorkse studio, en dan 's avonds laat weer terugreist. Maar van zo'n dagindeling kijkt niemand op.

Die studio aan de Fifth Avenue in Manhattan wordt "the Hospital' genoemd. Een kale ruimte, zonder rommel of radio. Liever niet roken. Op een gezellig onthaal kunnen zijn gasten lang wachten. Komen ze toch langs, dan worden ze niet op hun gemak gesteld. Hij communiceert graag in "de taal der blikken'. Die stilte maakt menigeen een beetje hulpeloos. Er komen ineens onaangename stemmingen en karaktertrekken aan het licht. Maskers kunnen niet langer worden opgehouden. Wenkbrauwen en mondhoeken druipen als kaarsvet.

Die zwijger in "the Hospital' is de Amerikaanse fotograaf Irving Penn. Een lastpost, iemand met wie maar moeizaam valt samen te werken. Lastig voor zichzelf, lastig voor anderen. Daar heeft zijn roem niets aan veranderd. Hij heeft er de pest in, liet hij zich pas ontvallen, dat de loodgieter sinds kort weet wie hij is. Nu kan er niet meer gepraat worden over het weer en over de verstopte buizen. Dat stoort hem.

Irving Penn is 74 jaar. Een halve eeuw lang heeft hij foto's gemaakt. Het idee om mensen te isoleren, om hen tussen twee taps toelopende wanden te klemmen, om daarmee hun alleen-zijn en hun gevangen-zijn-in-zichzelf te laten zien, is van hem afkomstig. De foto's van een gevangen Marcel Duchamp en Arthur Rubinstein dateren uit eind jaren veertig. Ruim dertig jaar later wordt datzelfde idee door andere fotografen geïmiteerd. En wij maar denken dat het een typisch tijdsbeeld van de narcistische jaren tachtig is.

Penn heeft onlangs de hoogtepunten uit zijn foto-archief gerangschikt in een mooi boek. Na een korte inleiding opent het met een van zijn eerste terloopse documentaire-foto's, de etalage van een antiekwinkel, en het sluit af met een spectaculaire modeplaat voor ontwerper Issey Miyake: een chocolade-bruin toilet, uitgevoerd in dunne ribkarton-achtige stof. Elke rib is een messnede. Foto's kunnen niet subtieler worden afgedrukt dan in dit boek gedaan is. Dezelfde perfectie kenmerkt de lay-out. En Penn laat ook nog zien dat kleurenopnamen, mits gedoseerd, een zwart-wit serie prachtig kunnen afronden.

Afval

Penn wordt een classicus genoemd. Hij streeft naar orde, helderheid en objectiviteit terwijl zijn naoorlogse tijdgenoten experimenteren met geometrische, abstracte composities. Hij heeft bekende en onbekende mensen geportretteerd. Hij "berekent' stillevens van prachtige en vieze dingen. Van goud en afval. Van dure cosmetica en een "ivoren' mozzarella-kaasje tot dierschedels en natte sigarettenpeuken, die hij 's avonds op weg naar huis in regenplassen vindt. Een gore handschoen, opgedoken in een andere regenplas, krijgt van hem de impact van een unieke archeologische vondst.

De ene dag staat het glanzende lijf van een jonge mannequin in zijn studio, een week later ligt er een torso op de grond met diepe buikplooien en kneedbaar vet. De weegschaal moet in balans blijven. Hij fluit zichzelf blijkbaar terug als de werkelijkheid vertekend raakt door te veel schoonheid, te veel luxe.

Eerst wilde Penn alleen maar schilder worden. Tijdens zijn academie-opleiding fotografeerde hij wel af en toe, maar dat stond in dienst van het "hogere', de schilderkunst. Of hij wilde op straat iets vastleggen dat niet mocht wegglippen. Een van zijn leraren, Alexey Brodovitch, liet hem als zijn assistent-grafisch ontwerper stage lopen bij het populaire vrouwenblad Harper's Bazaar. Een ontwerpje maken, een lay-out schetsje voorleggen en dan maar afwachten wat de baas ervan vindt. De baas zag wel wat in hem en zorgde voor een beter baantje bij de reclameafdeling van het warenhuis Saks Fifth Avenue. Toch bleef dat schilderen knagen. Nu nog kan hij zich laven aan schilderijen. Van "kijkhonger' naar foto's heeft hij nooit last gehad.

In 1941 vertrok Penn met zijn ezel naar Mexico. Daar moest en zou hij het tot schilder brengen. Misschien wilde hij te veel op een te korte termijn. Het avontuur liep in elk geval uit op een fiasco. De mislukte kunstenaar schrapte later in een badkuip alle verf van zijn doeken. De structuur van de linnen lappen vond hij meer geslaagd dan datgene dat er op stond. Ze kwamen hem thuis nog jarenlang van pas als tafellakens.

Je zou wensen dat hij hetzelfde doet met zijn recente schilderingen. Want de schildersdroom zit nog steeds in zijn hoofd, zoals blijkt uit enkele afbeeldingen uit het eind van de jaren tachtig. Hij zet omlijnde paddestoelvormen neer in aardse tinten. Ze moeten de schoonheid van roest, organisch verval of iets dergelijks demonstreren. Maar verval laat zich niet in keurige ovale banen leiden. Het lukt hem niet om de onttakeling overtuigend vorm te geven, zoals dat bijvoorbeeld een schilder als Kiefer wel gelukt is.

Een estheticus als Penn zet zijn tanden niet in lelijkheid. Hij kijkt met gepaste afstand naar de goot. "I am an observer in the abattoir of beauty', zei fotograaf Werner Bischof toen hij verslag moest doen van de zoveelste menselijke catastrofe. Bij Penn kunnen we dat "abattoir' er af laten. Hij heeft een leven lang het summum van esthetiek tevoorschijn getoverd uit mensen en dingen die van nature wel of helemaal niet bekoorlijk waren.

Terug in New York kwam Penn in het begin van de oorlog terecht bij het damesblad Vogue. Meer dan veertig jaar zou de samenwerking duren met art director Alexander Liberman, een periode die alleen werd onderbroken door een korte, en ondanks het jaar 1944 tamelijk zorgeloze militaire dienst in Italië en India. Later mocht hij bij Vogue doen en laten wat hij wilde. "Good luck, friend. Bring us back a treasure for Christmas'. En dan begon de reis; met of zonder opdracht, naar Parijs, Londen, Spanje, Peru, Nepal of Marokko.

Collega's als Cecil Beaton, Horst P. Horst en Erwin Blumenfeld gingen in die begintijd ook voor Vogue op pad om het sprookje van de haute couture in de huiskamer te brengen. Penn diende iedereen te verleiden tot hebzucht en illusies.

Cecil Beaton, Richard Avedon en andere collega's lieten de mannequins van Dior en Balenciaga door kastelen en dierentuinen zwerven. Haute couture had nog iets buitenaards en de kijker was verre van blasé. Men liet zich graag in tijdschriften verrassen door voorname vrouwen, neergestreken in weelderig aangeklede stijlkamers. Penn hield niet van decorum. Hij wist ook niets van meubelen of gordijnen af. Daarom beperkte hij zich tot lijf en kleding, tot de finesses van andermans creaties. Als een geplooide mouw zo mooi is ingezet door Balenciaga, laat de perfectie van wat er verder aan die jas vastzit, zich wel raden. En als Chanel zulke gave aaibare stoffen gebruikt, dan moet een foto er voor zorgen dat de kijker er nauwelijks met zijn vingers vanaf kan blijven. Tailles en halslijnen zijn in zo'n geval bijzaak.

Driehoek

Dankzij het visitekaartje van Vogue kon Penn zich bij de modehuizen veel permitteren. Dat kaartje stond ook garant voor opmerkelijke bezoekers. In Penns studio maakte iedereen van naam zijn opwachting. Marc Chagall, Georg Grosz, Walter Gropius, W.H. Auden, Kurt Weill, Marlene Dietrich, Edith Piaf, Georgia O'Keeffe, Max Ernst en vele anderen hebben er plaatsgenomen tegen een vlekkerige asgrauwe wand, dezelfde minimale achtergrond die zijn modefoto's meekregen. Ze zitten of leunen op een stuk versleten tapijt, dat over een onzichtbare verhoging golft. Le Corbusier poseert als driehoek. Hij peinst met een hand aan het hoofd en met een opgetrokken knie voor zich uit. Hardnekkig en standvastig. Hitchcock staat bol van onverschilligheid en achterdocht.

Penn vertelt niet in zijn boek in hoeverre hij de houding van zijn modellen heeft geregisseerd. Eenieder lijkt zich bewust te zijn van het plechtige, onherroepelijke moment. Er valt blijkbaar weinig te lachen bij een opname die langer dan een leven zal meegaan. Alleen actrice Hanna Schygulla trekt een guitig gezicht. Vaak staat er ook een vraag op die beroemde gezichten te lezen. Wie is toch die verdomde zwijger tegenover me? Wat moet ik met hem aan? Penn's portretten duiden op een interactie. Het model wil door de lens heen ontdekken wie er achter staat. Het is knap om mensen tot zo'n doordringende manier van kijken te dwingen.

Hoe het er werkelijk aan toe ging tijdens die sessies kunnen we alleen maar raden. Welke ingehouden schrik staat er op het gezicht van Borges? Waarom lacht Italo Calvino ondeugend? Penn onthult niets. “Het maken van een portretfoto is analoog aan het bedrijven van de liefde. Wie niet bang is zich daaraan te onderwerpen moet wel stom zijn”, heeft hij eens gezegd. In zijn boek verschijnt af en toe alleen een kort bijschrift over een mooie studioruimte of over het licht, vooral dat licht. Altijd moet het uit het noorden komen. Geen zonnewarmte op de muren of nostalgische schaduwen op de grond. Hard licht zonder fratsen.

Later, in de jaren zeventig en tachtig kruipt Penn dichter op de huid van zijn beroemde "subjects'. Nog steeds moeten ze genoegen nemen met die ongewisse leegte om hen heen. Hij zoemt in op hun ogen. Hij wenst ze "absoluut niet' vriendelijk of aantrekkelijk neer te zetten. Picasso werpt vanachter zijn jaskraag en hoedrand met een cyclopisch oog een allesziende blik de lens in. De verlegen Yves Saint Laurent verstopt zich achter zijn vingers, net zoals Ingmar Bergman. Dali neemt een houding aan van kijk-mij-weer-eens-gek-doen. En Simone de Beauvoir lijkt op een strenge kostschooldirectrice. Natuurlijk staan de portretten van de schrijver Isaac Bashevis Singer en de schilder Barnett Newman niet toevallig op één pagina afgedrukt: kwetsbaarheid versus arrogantie gewapend met snor en monocle.

Tegenover deze close-ups van bekende gezichten staan de portretten van vele anonieme, voorgoed verdwenen mensen. In Parijs, Londen en New York zijn het de mannen en vrouwen met een "nuttig' beroep, die tegen betaling voor de camera verschijnen. In gezelschap van hun gereedschap of handelswaar mogen ze zich niet anders voordoen dan op hun werk. “Doe maar net of je toevallig in je werkkleding thuis uit het raam staat te kijken”. Misschien heeft Penn zoiets gezegd. De Franse slagers en bakkers dachten dat de man tegenover hen een grapjas was. Daarom poseren ze zo onwennig en laconiek. De Londense kolensjouwers en schoorsteenvegers, beleefd en dienstbaar, zetten hun beste beentje voor. In New York reageerde de middenstand anders: daar hoopten sommige straatventers dat Penns opname een opstapje was naar de studio's van Hollywood. Ze sloofden zich vergeefs uit, van Hollywood zou niets terechtkomen.

Tent

Toen in de jaren zestig de haute couture binnen ieders fotografisch bereik kwam en de betrekkelijke waarde van een meestal slecht gedrukte tijdschriftpagina tot Penn was doorgedrongen, hield hij de glamourfoto's voor gezien. Met een portable studio-tent ging hij op reis naar Peru, Kameroen, Dahomey, Marokko en Nieuw-Guinea, naar mensen met een eeuwenoude, eigen stijl van kleden en versieren.

Ver weg van huis ontstonden de meest opzienbarende en de meest ontroerende opnamen. Tegen betaling worden de modellen de tent in gelokt. In Peru zijn het kleuters met het uiterlijk van zorgelijke volwassenen. In Marokko verraden een paar tenen en een hand dat die compleet gesluierde vrouwen nog geen mummies zijn. Dankzij de kostbare platina-palladium afdrukken is elke plooival van hun gewaden op het papier "geëtst'.

In Dahomey verschijnen in de tent kinderen en jonge vrouwen met blote borsten en grafische omslagdoeken. Op hun huid ligt een kraag van witte verf of een kleurloze tatoeage. Ook zij lachen nooit, en toch voel je dat ze die vreemdeling vertrouwd hebben. Soms staan ze net zo stram in de houding als die 19de-eeuwse Europese boerenfamilies die voor het eerst naar dat wonderkastje van een reizende portretfotograaf staarden.

Bij de naakte, sterke vrouwen in Kameroen is elke denkbare grijstoon tussen hun oogwit en duistere oksels vastgelegd. Dat geldt ook voor die ene jonge krijger in vechttenue. Zijn vriendin vleit zich als een leeuwin aan zijn voeten. Niet zij, maar hij is nu even de baas - laat dat duidelijk zijn. Als er duizend jaar geleden fotografie had bestaan, zou dit tafereel er niet veel anders hebben uitgezien.

Penn kreeg het verwijt te horen dat hij deze mensen had uitgebuit, want hij liet hun omgeving en hun leefgewoonten buiten beeld. Een verwijt dat nu terecht gemaakt wordt ten aanzien van de 19de-eeuwse fotografen die in Noord-Afrika uit zogenaamde volkenkundige belangstelling vrouwen naakt lieten poseren om die opnamen vervolgens thuis als porno-plaatjes te verpatsen.

Penn is er desondanks mee doorgegaan. Het ging hem om de eeuwenoude stijl en schoonheid van deze volkeren. De "moddermannen' van de Asaro-stam uit Nieuw-Guinea, toegedekt met kleien maskers en bladeren waren ooit de vreemdste lieden die je op de wereld kon tegenkomen. Zo'n kennismaking is nu uitgesloten. Een aantal stamleden zit vandaag in Westers grijs op kantoren. In 1970 presenteren ze zich als een stel krijgszuchtige bosgeesten met pijlen op hun bogen. Nu weten we tenminste precies wat er verloren is gegaan.

Na de moddermannen heeft Penn in Newyork de draad van zijn stillevens en mannequins weer opgepakt. Ik heb nooit beseft dat stillevens van diepgevroren fruit en groenten zo mooi konden zijn. Zelfs van twee knullige glazen water of een paar ontvelde kikkerbillen maakt hij een kunstwerk. De parfum- en modehuizen kloppen nog steeds bij hem aan. Voor l'Oréal durft hij een mond te verfrommelen tot een rommelig palet, waarop een dronkemanshand acht verschillende klonten lipstick heeft neergekalkt. Ook de schrijvers en kunstenaars komen nog bij hem langs: Jasper Johns bijvoorbeeld, Willem de Kooning en Vanessa Redgrave.

Terwijl in die vijftig fotojaren zijn collega's ver weg van huis verslag deden van oorlogen en van rampen, van de "lonely crowds of American people', waar Robert Frank naar keek, van de zelfkant, "the sick society' waar de voormalige modefotografe Diane Arbus zich mee bezighield, bleef Penn in zijn "Hospital' of tent. Zonder ruimte voor toeval of terloopsheid. Eenmaal buiten, op het Franse platteland bijvoorbeeld, gaat hij kunstig knoeien met soft-focus of andere trucjes. Binnen voelt hij zich "veilig', zegt hij in een sporadisch interview. Daar heeft hij als "an observer of beauty', als Vermeer, het licht tot in de finesses naar zijn hand gezet, als Dürer de scherpste lijnen getrokken. Zodoende is het zelfs een kruimelig croissantje gelukt om karakter te krijgen.