"Het is verrukkelijk, ik voel me helemaal vrouw'

Mannen hebben niet veel verstand van vrouwen, dat is bekend, terwijl je de vrouwen niets over ons, mannen, hoeft wijs te maken. Behalve als je feministe bent, Andrea Dworkin heet en een studie onder de dubbelzinnige titel "Paren' (1989) hebt geschreven.

Ik weet maar al te goed dat er veel op de mannelijke soort aan te merken valt, niet in de laatste plaats op zijn vaak egocentrische seksuele gedrag. Een omschrijving van het intergeslachtelijk verkeer als een “genitale verminking, waarbij de penis het snijwerk verricht” wijst echter op een zekere feministische vooringenomenheid.

De arbeidshypothese van Andrea Dworkin is eenvoudig en overzichtelijk. De seksuele daad is plaatsvervangende moord. Want: “Mannen worden geacht ons te doorklieven en in stukken gereten op het bed achter te laten.'

Na lezing deed ik onmiddellijk, ondanks mijn masculine vooringenomenheid onzeker geworden, navraag in mijn directe omgeving. Bij beide partijen. Hanteerden de heren hun penis inderdaad als een snijbrander? Nee, verzekerden zij, dat deden zij niet. En de dames? Voelden zij zich genitaal verminkt respectievelijk in stukken gereten? Nee, zeiden de dames, zij ontleenden zelfs een zeker genoegen aan dat merkwaardige ritueel tussen de lakens, al zouden zij het wel op prijs stellen als wij, mannen, wat vaker onze voeten wasten.

Vrouwen willen geknuffeld worden, zeggen zij, niet besprongen of overweldigd, laat staan genitaal verminkt en in stukken gereten. Vrouwen hechten, zeggen zij, meer aan intimiteit dan aan uiterlijk vertoon. Daarom hebben vrouwen ook zo'n hekel aan erotica, een vorm van literatuur die vrijwel geheel door mannen wordt gedomineerd. Daarin is het een en al bonkerdebonkerdebonk, met de man als bovenliggende en de vrouw als onderliggende partij. Vrouwen hebben een heel andere vorm van lustbeleving. Zij fantaseren, zowel in de beslotenheid van de badkamer als in de armen van hun geliefde. Die vindt dat niet zo prettig. Als zij al zo nodig fantaseren moet, dan fantasere zij liever over hem, en niet over die anonieme, zwijgende, viriele, gezichtsloze hersenspinsels. De publiciste Nancy Friday vertelde haar bedgenoot, dat zij, aldoende, had gefantaseerd dat, tijdens een rugbymatch tussen de Baltimore Colts en de Minnesota Vikings, op de volgepakte tribune... “Hij stapte uit bed, trok zijn broek aan en ging naar huis.”

Zij heeft in de jaren zeventig twee boeken vol vrouwelijke fantasieën gepubliceerd, "My secret garden' (1973) en "Forbidden flowers' (1975). Het zijn boeken waarin opmerkelijk weinig wordt geknuffeld. Integendeel, in de Geheime Tuin van de respondenten bloeien dezelfde Verboden Bloemen als in de meest ordinaire masculine pornografie. Het schoonheidsideaal is de "zwarte Gulliver' hetzij de "reusachtige blonde bruut met een enorme penis'. De favoriete vrouwelijke fantasie betreft verrassenderwijs een verkrachting. “Mijn fantasie is bijna altijd hetzelfde”, zegt Annabel. “Ik wordt verkracht, niet door een man, maar door drie of vier.” Desnoods door een kleedkamer vol ijshockeyers. “Mijn favoriet is de grootste uit het team, erg mannelijk en lelijk, met littekens op zijn gezicht.” Wat halen de dames zich in heur hoofd? Niets om ons ongerust over te maken, zegt Nancy Friday. Het betreft een vorm van “schuldeloos genot”, die de vrouw “in werkelijkheid niet aandurft of niet kan vinden.”

Of doodgewoon niet wil, want tussen droom en daad bevindt zich een wereld van verschil.

Wat is een roman of een novelle anders dan een, al dan niet seksuele, fantasie, aan derden doorverteld? De literaire fantasieën van vrouwelijke origine vertonen precies hetzelfde beeld als de epistolaire fantasieën die Nancy Friday heeft bijeengesprokkeld. De hoofdfiguur in Benoïte Groults "Zout op mijn huid' (1990) valt op een tonijnenjagende klerenkast, met wie, buiten het bed, geen verstandig woord te wisselen valt. Ook de bundel "Vrouwenland Coïta' (1991), tien erotische verhalen van vrouwelijke auteurs, is het louter bonkerdebonkerdebonk, van de eerste tot de laatste bladzijde. “Ja, bijt in mijn borst!”, roept de verpleegster. “Het is verrukkelijk, ik voel me helemaal vrouw!” “Zet de beuk erin, lekkere naaimachine van me!”, verzoekt de kantinejuffrouw. “Ik wil verleid worden”, zegt de verpleegster. “Dat willen alle vrouwen. “Het moet een klein beetje lijken of je wordt verkracht.”

Het hoogste ideaal in Vrouwenland Coïta is niet het vrouwvriendelijke geknuffel, maar het onversneden machismo:

“Ik was geen moment van plan met je mee te gaan”, zegt de Zweedse.

“Jawel”, zegt de Italiaan.

“Nee, ik zwéér het.”

“Niet doen, want ik heb het altijd bij het juiste eind.”

“Hoe komen jullie in dit land toch zo zelfverzekerd?”

“Hierdoor”, zei hij, en hij klopte voldaan op zijn pik.

Recentelijk heeft Nancy Friday een derde boek met vrouwenfantasieën op de markt gebracht, "Women on top - How real life has changed women's sexual fantasies'. Als je haar, respectievelijk haar correspondentievriendinnen geloven mag heeft de fantaserende vrouw zich inmiddels tot een ware duivelin ontwikkeld. De agressieve factor is thans niet hij maar zij, de vrouw die nog steeds erotisch onderbedeeld wordt, ondanks haar steeds grotere bijdrage aan het bruto nationaal produkt. Dat krijgen wij, mannen, op ons brood. Geëmancipeerde vrouwen storten zich in rotten van vier op ons, teneinde ons op onze beurt te verkrachten. “Ik richt een pistool op hem en beveel hem zich uit te kleden. Ik duw hem in een muurkast. Drie dagen later doe ik de deur open en beloof hem een lekkere, sappige steak als hij zich bereid verklaart eerst mijn poesje te likken.” Het een en ander opgetekend uit de mond van een voormalige novice, negen gefrustreerde echtgenotes en veertien knorrige jongemeiden, wat mij geen representatieve steekproef voor de vrouw lijkt, afgezien van het feit dat de vrouw niet bestaat, net zo min als de man, de jood of de mohammedaan. Nancy Friday is waarschijnlijk een betere brievenbus dan wetenschapper-ster. Eén ding heeft zij echter onmiskenbaar bewezen. Vrouwen fantaseren, zelfs als zij met hun hartsvriend op een kussen liggen - zij fantaseren over alles en nog wat, maar zij fantaseren, hoe vervelend wij, hun bedgenoten, het ook vinden, niet over ons.