Het arme kind

Meneer Ratti durfde niet meer naar bed te gaan, omdat hij doodsbenauwd was voor nog zo'n nachtmerrie. Ook durfde hij voor geen goud nog eens in de zak met knikkers te kijken.

Hij stak de kachel aan en bleef er de verdere nacht naast zitten, terwijl hij peinsde en piekerde en voor zich heen mompelde. Soms zweeg hij een tijdje. Niet omdat hij niets te zeggen had, maar omdat een akelig gevoel zijn keel dichtkneep.

Het daglicht wurmde zich met een zuinig straaltje door het harige gordijn. En voor het eerst sinds vele jaren, schoof meneer Ratti het gordijn open. Het was zo verteerd dat het scheurde en er wolkte zoveel stof uit dat meneer Ratti een niesbui kreeg.

Hij keek naar het tuintje waar zijn verzameling oud ijzer verstopt lag onder de sneeuw. Hij rilde van al die wittigheid en wou juist de kachel weer opzoeken, toen de kat miauwde.

“Wat is er, Baron?”

De kat krabbelde aan de achterdeur.

“Wil je naar buiten? Kleine zwarte haarbal in een dik pak sneeuw... Wees maar niet bang, het is wel nat en koud als water maar verdrinken kun je niet.”

Meneer Ratti deed de achterdeur open.

“Erg hè?” hoorde hij fluisteren.

“Daar heb je die twee poetslappen”, zei meneer Ratti bij zichzelf. “Ze zullen het wel over Spikkie's cadeautje op de deurmat hebben. Of over mijn aangebrande soep. Ze zullen wel weer zeggen dat ik moet opkrassen naar een tehuis...” Hij spitste zijn oren.

Maar de toon waarop zijn buurvrouwen spraken, was een heel andere.

“Vreselijk, mevrouw Kets... Maar hoe komt het arme kind dan zo ziek? Gisteren liep ze nog vrolijk rond.”

“Ze liep wel rond ja, maar vrolijk? Nee. Ze liep namelijk haar kat te zoeken.”

“Een kat komt toch altijd uit zichzelf terug?”

“Behalve niet altijd. De hele dag heeft het arme kind gezocht, ze heeft er zelfs voor gespijbeld.”

“Om een kat?”

“Ik weet wel dat je niet zo op katten gesteld bent, juffrouw Sijp, maar als jouw hondje weg zou lopen, zou je dan niet hetzelfde doen?”

“Mijn Spikkie loopt niet weg, mevrouw Kets. En spijbelen kan ik niet, want ik zit niet op school. Ik heb vroeger trouwens nooit gespijbeld.”

“Het is veel erger dan spijbelen. Ik zal je namelijk vertellen wat Marleentje vannacht heeft gedaan. Toen haar moeder sliep, is ze stiekem naar buiten gegaan. Ze had zich veel te dun aangekleed, ze liep op pantoffels, daarom zijn haar voetjes zo goed als bevroren.”

“Het arme kind...”

“De krantejongen heeft haar een eindje verderop gevonden.”

“Het arme kind...”

“Wat je zegt. En de arme moeder, want Marleentje is haar enig kind... Ik zag de dokter bij ze op bezoek gaan en toen hij weer naar buiten kwam, stond zijn gezicht heel ernstig.”

“Met die moderne medicijnen ben je tegenwoordig zo weer op de been.”

“Ik weet het nog zo net niet... Een longontsteking is wel te genezen, en die voetjes, misschien redden die het ook. Maar een lief, teer hartje als dat van Marleen breekt snel, juffrouw Sijp. Daar is geen medicijn tegen opgewassen.”

Zachtjes trok meneer Ratti de deur toe.

“Die Marleen... Ts, die is achterlijker dan een haring in een potje! Die heeft minder hersens dan een pas geboren mier! Die is bijna zo onnozel als de onnozelste buurvrouw van de wereld! En onnozeler dan het miezerige staartje van Spikkie de knakworst!”

Meneer Ratti zou zo nog een tijdje door kunnen gaan, maar zijn stem piepte en bibberde. En hij moest steun zoeken bij zijn stok, want zijn benen trilden alsof ze onder stroom stonden.

(wordt vervolgd)