Expanderend Chili zuigt bloed uit Peru

Peru ziet met lede ogen aan hoe de economie van zuiderbuur Chili expandeert. De animositeit tussen de twee landen is groot. "Peru bloedt leeg in het zuiden.'

Meer dan een eeuw na het einde van de vijfjarige "Pacifische Oorlog' (1879-1884) tussen Chili en het door Bolivia gesteunde, maar desondanks in de pan gehakte Peru is in Tacna het gevoel van vijandschap nog steeds niet helemaal verdwenen. De kleine tweehonderdduizend inwoners van dit geïsoleerde stadje in de Zuid-Peruaanse woestijn vlakbij de grens met Noord-Chili, bezitten dan ook een bovengemiddeld historisch bewustzijn.

Op de dag dat de enige gewonnen slag uit de vijfjarige oorlog wordt herdacht, marcheren soldaten en scholieren in colonne op naar de standbeelden van kolonel Bolognesi en admiraal Grau, de Peruaanse helden uit dit tijdperk. Die overigens op hun stenen sokkels met het gezicht naar het zuiden staan opgesteld. Een waarschuwing aan de Chilenen wellicht, die bijna vijftig jaar heer en meester waren in Tacna totdat de inwoners van dit stadje bij referendum besloten op 28 augustus 1929 onder de Peruaanse vlag terug te keren.

Dat de animositeit tussen de Peruanen en Chilenen niet alleen maar beperkt blijft tot de geschiedenisboekjes, bleek bijna een halve eeuw later. Even dreigde het Chili van generaal Augusto Pinochet, het Bolivia van generaal Hugo Banzer en de Peruanen onder generaal Francisco Morales Bermúdez in 1976 opnieuw de wapens op te nemen. Wederom was het grensgebied langs de lijn La Paz, Tacna, Iquique (Chili) inzet van een conflict.

De wapens bleven echter zwijgen en de generaals verdwenen successievelijk om plaats te maken voor democratieën die niet zo zeer grondgebied alswel economische welvaart als inzet van hun strijd maken. Ook hierbij blijken de Chilenen de beste strategen. Chili, nu het meest welvarende land van Latijns-Amerika, is welhaast synoniem geworden met economische vooruitgang. In de jaren tachtig werd onder generaal Pinochet begonnen met een rücksichtlose modernisering en liberalisering van de economie.

Maar al in 1929 kregen de noordelijke havensteden Iquique en Arica de status van vrijhandelszone. In het Peruaanse Tacna, zo een zestig kilometer van Arica, werd dat met lede ogen toegezien. Want dankzij de vrijhandelszone in Noord-Chili ontstond er een bloeiende smokkelhandel waarmee naar schatting jaarlijks voor driehonderd miljoen dollar aan contrabande Peru binnenkomt. “Het was een doelbewuste strategie van de Chilenen om hun land te ontwikkelen ten koste van de noorderbuur. Peru bloedde leeg in het zuiden”, zo interpreteert Tacna's vooraanstaande bestuurder en toneelschrijver (van een stuk getiteld "Contrabande') José Giglio Varas, de historische feiten.

Midden in de woestijn, geteisterd door een chronisch gebrek aan water en zonder overige belangrijke middelen van bestaan ontwikkelde Tacna zich, in de woorden van Oscar Liendo, decaan van het plaatselijke Colegio de Periodistas, tot “een phoenisische stad”. Vrijwel alle Tacneños waren in de loop der tijd afhankelijk geworden van de smokkelhandel die door een harde kern van negenduizend contrabandistas werd bedreven. Tussen de autoriteiten en de smokkelaars gold een stilzwijgend herenakkoord; men viel elkaar niet lastig. In het smokkelnest Tacna was het devies "Het geeft niet wat je steelt, als je 't maar voor Tacna doet'. Maar van de miljoenen die werden verdiend met de illegale invoer van electronische apparatuur, Chileense wijn en levensmiddelen, auto's, schoenen, speelgoed en honderden andere artikelen, bleef maar weinig hangen in Tacna zelf. Tegelijk met de neergang van de Peruaanse economie in de jaren tachtig verpauperde de zuidelijke stad.

Pag.10:

Corruptie Peruaanse douane is legendarisch

Met het instellen van een vrijhandelszone in Tacna, Zotac, zette de Peruaanse overheid vorig jaar de aanval in tegen het economische geweld uit Chili. Onder een algemeen regime van tien procent mogen ruim negenhonderd artikelen in Tacna worden verhandeld. Fabrikanten die zich in Tacna vestigen, krijgen de faciliteit van een nul-tarief bij produktie of heruitvoer van artikelen. Wie anders dan de auteur van "Contrabande', José Giglio, was er geschikt om deze operatie te leiden? In het kantoor van Zotac, tevens zetel van het regionale parlement, stelt Giglio plukkend aan zijn baardje tevreden vast: “In het ene jaar dat we nu als Zotac functioneren zijn we er in geslaagd om een derde van de smokkelhandel in legale banen te leiden, oftewel honderd miljoen dollar. De Peruaanse overheid heeft zo dus al tien miljoen dollar verdiend.”

Onder de geldende afspraken gaat negentig procent van deze verdiensten naar de regionale overheid en tien procent naar Zotac. Voor zover dit met het blote oog is waar te nemen, worden de nieuw verworven middelen goed besteed. In tegenstelling tot andere ernstig verwaarloosde Peruaanse steden, wordt in Tacna hard gewerkt aan vernieuwing en verbetering van de infrastructuur. Op wat langere termijn moeten de inkomsten uit Zotac worden geïnvesteerd in een waterkrachtcentrale en in agro-industriële projecten waarop de lokale economie uiteindelijk moet gaan drijven. “Zotac is middel en geen doel. Het heeft een geplande levensduur van zo'n vijftien jaar”, legt Giglio uit. “Dan moeten we het agro-industriële apparaat hebben opgebouwd.”

De instelling van een vrijhandelszone in Tacna (die als enige van de acht Peruaanse steden die een vrijhandelsvergunning hebben, daar ook daadwerkelijk gebruik van heeft gemaakt) en het gebleken succes van Zotac is niet overal met gejuich ontvangen. In Iquique, vierhonderd kilometer zuidelijker gelegen, gaat de vrije handel gewoon door. Tacna betrekt circa zestig procent van zijn waren in de Chileense havenstad. Maar in het even over de grens gelegen Arica is het voorshands afgelopen met de drukte. Verdwenen zijn de honderden, zo niet duizenden Peruanen die dagelijks hun voordeel kwamen halen in de Chileense stad. “Het verschil met de prijzen in Tacna is nu vrijwel nihil”, constateert een Chileense winkelier spijtig.

De vijanden van Zotac zijn vooral in Peru zelf te vinden. De machtige Sociedad Nacional de Industrias (SNI), waarin de Peruaanse fabrikanten zich hebben verenigd, meent dat Zotac de smokkelhandel legitimeert en de nekslag is voor de Peruaanse industrie die toch al gebukt gaat onder de aanhoudende recessie. Volgens vice-president Ciro Tonani van de SNI bloeit de smokkel dank zij de irreële wisselkoers (de Amerikaanse dollar is zwaar ondergewaardeerd) en door de hoge interne tarieven (btw en omzetbelasting komen samen op ruim dertig procent). Maar Zotac-voorzitter Giglio ziet dat anders. “De Peruaanse industrie is altijd beschermd geweest en heeft jarenlang waanzinnige winsten kunnen maken dank zij de hoge invoertarieven. Het probleem is dat hun produktie-apparaat hopeloos is verouderd. Wij zeggen: "Crepeer maar als je niet wilt moderniseren'. Als Peruaanse consumenten een vrije keuze zouden hebben, zouden ze heus wel kiezen voor nationale produkten.” Intussen wordt de voorkeur gegeven aan de goedkopere en betere Chileense wijn en chocolade, waarvan de grondstof overigens weer uit Peru komt.

Onder de vijanden van Zotac heeft zich sinds kort ook de Peruaanse douane geschaard. In de stroom van presidentiële decreten die Peru momenteel overspoelt, zat ook de beslissing dat de douane-activiteiten aan de grens met Chili per 11 november zijn overgedragen aan Zotac in het kader van een algehele reorganisatie van het vermolmde en tot op het bot corrupte Peruaanse douane-apparaat. Voor de doorsnee-douanier was deze beslissing een ramp. De mogelijkheden om zijn maandsalaris van vijftig dollar aan te vullen door het verlenen van hand- en spandiensten aan de "pacotilleros' (zoals de kleine smokkelaars worden genoemd), zijn ineens drastisch verminderd.

In het afgebladderde en chaotische douanekantoor van Tacna zetelt sinds een paar maanden "administrador' Gilberto Durán Ubiluz temidden van rinkelende telefoons en douane-agenten die nerveus op beschikkingen wachten. “Het gaat om een experiment, waar ik ambivalent tegenover sta”, zo drukt Durán zich voorzichtig uit. Als ambtenaar moet hij de besluiten van zijn superieuren loyaal uitvoeren, maar Durán wil wel gezegd hebben dat “Zotak steeds meer bevoegdheden naar zich toe trekt”.

Vragen over de legendarische corruptie van de Peruaanse douane interpreteert Durán persoonlijk. “Meneer, ik ben trots op twee dingen in het leven: op mijn status als de Peruaanse douanier met het grootste aantal ononderbroken dienstjaren, en op de eerlijke vader van mijn kinderen.” Volgens Durán heeft de Peruaanse douane aan de zuidelijke grens in het afgelopen jaar zeventig procent meer goederen in beslag genomen dan in het jaar daarvoor. “Is dat corruptie?”. Bij navraag blijkt Durán, die wegens zijn opmerkelijke manier van opereren "El Loco' (De Gek) wordt genoemd, inderdaad als een van de weinige eerlijke douaniers te worden beschouwd.

De kritiek van de Peruaanse douane op het drastische besluit van de overheid om alle taken van de douane ineens over te hevelen naar Zotac, wordt gestaafd met het voorbeeld van de controle op de toenemende drugssmokkel van Peru naar Chili. Bij Zotac heeft men grif toe hier weinig kennis over in huis te hebben. “Dit is duidelijk een risico”, erkent bij de Peruaanse grenspost Santa Rossa, op 800 meter van de grenslijn met Chili, ook politiecommandant Percy Meza Soria, het hoofd van alle douane-, controle- en migratiediensten aan de grens.

Toch is Meza vooral blij met Zotac en de financiële middelen die de vrijhandelsactiviteiten opleveren. Zo heeft de politie in Santa Rossa sinds kort de beschikking over portofoons, kan het minibusje worden gerepareerd waarmee de agenten naar het dertig kilometer verderop gelegen Tacna worden vervoerd en zijn verbouwingswerkzaamheden ter hand genomen bij de grenspost waar dagelijks zo'n 2.500 mensen passeren.

Tevreden zijn ook zo'n 5.000 voormalige smokkelaars van Tacna die zich als officiële handelaren hebben laten registreren bij Zotac. In zijn kraam op een van de 36 mercadillos (vrijhandelsmarkten) in Tacna, omringd door hoog opgetaste doosjes parfum, eau de toilette en andere luxe geuren van de over de hele wereld bekende merken, zegt ex-smokkelaar Claudio Macedo: “Ik verdiende vroeger meer met smokkelen, maar de zekerheid is voor mij belangrijker.” De nieuwe "formelen' hebben zich enthousiast op hun legale nering gestort. Het merendeel was analfabeet en moest zich op avondscholen laten onderwijzen in het uitschrijven van de nu verplichte facturen.

Toch heeft ook Zotac (nog) geen einde kunnen maken aan de smokkelhandel, zoals bleek na recente invallen van politie, douane en leger in de illegale, maar doorgaans gedoogde "polvos azules' van Lima. Op deze markten van smokkelwaar in de Peruaanse hoofdstad werd tijdens bliksemacties voor tientallen miljoenen aan handel in beslag genomen. Een deel verdween overigens weer op mysterieuze wijze uit de door politie-agenten bewaakte magazijnen.

De smokkel wordt in stand gehouden door het proletariaat van de contrabandistas, zoals de niet bij Zotac geregistreerde handelaren (de pacotilleros) en de pistacos, die te voet met een of twee televisietoestellen op hun rug de pampa van Noord-Chili en Zuid-Peru doorkruisen. Dat is een uiterst riskante bezigheid. Niet zozeer wegens de controle-acties van politie, douane of Zotac-personeel alswel door het Chileense mijnenveld, een overblijfsel van het sluimerende grensconflict in 1976.

De Chilenen hebben het bestaan van het mijnenveld altijd ontkend, tot vorig jaar een hoge ambtenaar van het Chileense ministerie van buitenlandse zaken, belast met de grensproblematiek, bij een inspectie te velde zijn voet kwijtraakte aan een anti-tankmijn. Vijftien Peruaanse pistacos hadden het bestaan van het mijnenveld al eerder ontdekt, maar zij konden het niet meer navertellen. In de niet-verklaarde grensoorlog zijn zij de slachtoffers om wie niemand treurt, laat staan dat er voor hen een standbeeld wordt opgericht.