Echt en Onecht

Eigenaardig, nietwaar, dat de museumwereld nu zo doodernstig deelneemt aan de discussie over echt en onecht in de schilderkunst.

Je zou zoveel diepe bezorgdheid van museumdirecteuren niet verwachten. Over hoeveel schilderkunstige discussies die méér de moeite waard waren hebben ze niet hun schouders opgehaald?

Wie over hun aankopen probeerde te spreken in termen van mooi en lelijk kon op hun ijskoude minachting rekenen.

We dienden onze mond te houden. Het deed er in de moderne kunst niet toe of iets mooi of lelijk was.

Ook als we ons wat toeschietelijker opstelden en de discussie verlegden naar de tegenstelling tussen opgefokt modernisme en onmodieuze voortzetting van de traditie, waarbij het nog de vraag was wat van de twee voor werkelijk "modern' mocht doorgaan, viel ons hun hooghartigheid ten deel.

We dienden onze mond te houden. Modern was wat zij - de ingewijden - modern noemden.

En ineens was daar die kwestie van echt en onecht.

De museumbeheerders zouden nog steeds liever zien dat we onze mond hielden. Maar je hoorde ze niet langer beweren dat het er niet toe deed of iets echt of onecht was.

Ze leken waarachtig eens een keer bezorgd.

Jarenlang vulden ze, het publiek trotserend, hun musea met formicatafeltjes en plotseling klaagden ze dat een restaurateur van een schilderij een formicatafeltje had gemaakt.

Jarenlang hielden ze ons voor dat het in de kunst op het concept aankwam en dat bijgevolg het onderscheid tussen verfroller en penseel een te verwaarlozen bijzaak was, en opeens stond de museumwereld op zijn kop over zo'n futiliteit van technische aard.

Jarenlang kochten ze valse behendigheden aan en nu moest een behendige vervalsing het ontgelden.

Ik vrees dat dit alles niet betekent dat er met de museummafia ook over belangrijker kwesties in de kunst weer te praten valt. Competentie en kwaliteit, het zullen geen gespreksthema's worden binnen de muren van de musea.

De enige vraag die men het publiek zal blijven toestaan is: Is het echt? Is die incompetentie echt? Is dat echte rotzooi? Arme museumdirecteuren.

Wat is er nu zó in strijd met wat zij voor moderne, kosmopolitische kunst houden als de stoffige, versleten antithese tussen echt en onecht? Maar ze moeten wel.

De magie van echt, het is het enige waar een museum nog publiek mee trekt.

Dank zij de techniek zijn zelfs met een vergrootglas reprodukties niet meer van originelen te onderscheiden. Begaafde restaurateurs kunnen sommige kunstwerken tot in het oneindige nabootsen.

Daarom eist het publiek het echte origineel, de bron van de nabootsing. Het stelt meer prijs op het certificaat en de stamboom dan op het kunstgenot.

Denk aan de schoonmaak die er onder de Rembrandts heeft plaatsgehad. Schilderijen waarvan eeuwen genoten is, daar geniet men ineens niet meer van.

Het verlangen naar authenticiteit, het is het enige publieksverlangen waaraan de musea wel moeten toegeven, op straffe van overbodig te worden.

Waar stoelt dat verlangen op?

Wie een echte Rembrandt ziet voelt dat hij contact heeft met het genie, dat hij zèlf als het ware een beetje een genie is.

Maar het is meer dan het oogcontact met de schilder. Het is ook het contact met de machtigen die het schilderij ooit hebben bezeten.

Niemand twijfelt aan de echtheid van een Velázquez, omdat die van Spaanse koning op Spaanse koning is gegaan.

Je bent niet alleen blij dat jij Las Meninas mag zien, je bent vooral blij dat Las Meninas jou mag zien.

Ach, honderdduizenden boeren, burgers en buitenlui hebben naar dat schilderij gekeken. Maar het schilderij heeft maar twee hoogtepunten in zijn bestaan gekend: het moment dat het Filips IV en het moment dat het jou mocht aanschouwen.

Ja toch, zo zijn de meeste mensen toch?