Cavo globo Gijs

Hij had maar nauwelijks de deur achter zich gesloten, of de padrone van het ristorante kwam al met open armen op hem toegesneld.

“Professore!” riep de padrone, “wat een onore om u hier ook op de nieuwjaarsdag te mogen begroeten.” De padrone ging zijn gast voor en leidde hem naar een smetteloos gedekt tafeltje. “Wat dacht u als aperativo een klein glaasje prosecco van het huis”, zei de padrone enthousiast, terwijl hij de stoel aan schoof.

De gast ging zitten en inspecteerde de menukaart. Dat zag er weer goed uit. Het speeksel liep hem als San Pellegrino door de mond. Waar zou hij eens mee beginnen? Eerst maar eens een antipasto van prosciutto, capocollo en caciofini. De gast twijfelde even. Zou hij aan één voorgerecht wel genoeg hebben? Misschien was het beter ook nog wat pomodori ripieni te bestellen, en natuurlijk cipolle farcite con purea di tonno.

De gast wreef zich al verheugend over de buik. Hij moest nu plotseling denken aan een nieuwjaarsdag die hij met zijn Nederlandse collega-schrijver Tsjees Nooteboom had doorgebracht. Vreemde ballen met rozijnen hadden zij toen gegeten, die door Tsjees consequent “balla all'olio” werden genoemd. “Specialitá Olandese”, had Tsjees gezegd. Tevergeefs had hij geprobeerd uit te leggen dat die ballen in het Italiaans bombolini heten, maar Tsjees had niet geluisterd, zo verdiept was hij in het verorberen van het feestmaal. Maar lekker waren die ballen wel. Delizioso! En zo lekker vet.

De blik van de gast gleed verder over de menukaart. Een soepje, natuurlijk een soepje. En geen kop, maar een groot diep bord. Een hele terrine. Wat te denken van minestra d'asparagi, of moest het een minestrone freddo zijn? Of nog beter, zo'n zuppa di lenticche, die als een steen der wijzen in de maag ploft. En daarna, om even op adem te komen, een eenvoudige pasta. Het was moeilijk kiezen tussen de lasagna con le vongole rosse en de spaghetti marinara.

De gast klopte zich nog eens op de buik. Ja, een groot schrijver mag het breed laten hangen. Dit kwam hem toe, zo eenvoudig was dat. Niet voor niets noemde hij zich zelf wel L'Uomo Corpulente. Even voelde hij zich heel treurig.

Die kan schrokken grote brokken

een os en een stier

en zeven tonnen bier

een kerk vol schapen

en nog kan Gijs van de honger niet slapen

dichtte hij. Maar veel tijd voor reflectie was er niet, want de menukaart trok alweer zijn aandacht. Een hele aragasta oreganata zou er wel in gaan en na de kreeft zou het langzamerhand tijd worden voor een onvervalste zampone, een gevulde varkenspoot. Zo aten de monniken het ook in de Middeleeuwen, hoewel, hij zou natuurlijk ook een porchetta kunnen nemen, een heel gebraden varken, vers van het spit met een appeltje in de mond.

Zou dat genoeg zijn? Of was er nog een gaatje voor wat broccoli gratin en een portie patate alla padella. Het toetje, een bord van zabaglione en tiramisu, zou hij later bestellen, maar eerst moest hij de wijn uitzoeken. Lambrusco was te licht, het moest een Barolo zijn en bij de porchetta natuurlijk twee flessen Barbaresco.

Nadat de gast de padrone had geroepen zijn bestelling had geplaatst, leunde hij tevreden achterover. Een kwartier later werd het eerste gerecht opgediend en begon de gast te eten, te eten en te eten, waarbij hij af en toe "ancora più!' riep. Tijdens het eten droomde hij ervan een enorm boek te hebben gechreven van meer dan 2500 pagina's. Een meesterwerk zo zwaar als een brok basalt, waarin de hele Europese cultuur zou zijn samengevat. Een bestseller zou het worden en het zou de bijbel in oplage overtreffen.

Viereneenhalf uur was hij al aan het eten en aan het dromen, toen tijdens het verorberen van de zucchini dolce a agro - een tussengerechtje om de lekkere trek te stillen - plotseling het licht uit ging. Wat er daarna met hem was gebeurd, wist hij niet meer, maar toen hij tenslotte zijn ogen weer open deed, begreep hij wel dat hij in een bed lag. Een man in een witte jas boog zich voorover en riep: “Signor Eco! Signor Umberto Eco! Svegliati! Word wakker!”