Bijbelverhalen op schilderij en koekplank

Tentoonstellingen: De Bijbel in huis, Bijbelse verhalen op het huisraad in de 17e en 18e eeuw. Rijksmuseum Het Catharijneconvent, Nieuwe Gracht 63 Utrecht. T-m 8 maart. Catalogus ƒ 35,-. Het Oude Testament in de Schilderkunst van de Gouden Eeuw. Joods Historisch Museum, Jonas Daniël Meijerplein 2-4 Amsterdam. T-m 12 april. Catalogus ƒ 49,50.

De expositie De Bijbel in Huis opent met een jeugdwerk van Rembrandt: De doop van de kamerling. Tegen de achtergrond van de grote Rembrandt-tentoonstelling is het begrijpelijk dat het Utrechtse rijksmuseum Het Catharijneconvent dit paneel uit 1626 zo'n prominente plaats heeft gegeven.

Het bij de expositie behorende diaprogramma begint echter met een anoniem Nederlands familieportret uit 1627. Een welgesteld gezin - vader, moeder en vier kinderen - staat op het punt een gebed uit te spreken voor de maaltijd van vlees, brood en vruchten. Door het open raam van het vertrek groeit een druiverank naar binnen, een zinspeling op psalm 128 waarin de huisvrouw van een godvrezend man wordt vergeleken met een vruchtbare wijnstok. Hetzelfde psalmvers beschouwt de kinderen uit een dergelijke echtverbintenis als olijftakken. Waarschijnlijk wist de schilder van deze Noordnederlandse familie niet goed raad met de exotische olijf: hij heeft het jongste kind een tak met kersen in de hand gegeven.

De familie is vreemd genoeg niet opgenomen in de tentoonstellingsruimte, maar hangt elders in het museumcomplex. Toch geeft het schilderij, meer dan Rembrandts paneel, de sfeer weer en zet het de toon van deze vertederende huisraadexpositie. Het gezin ziet er met zijn ingehouden deftigheid voldoende kapitaalkrachtig uit om een zeer kostbaar schilderij te kunnen bezitten, maar beschikte zonder twijfel ook over al die eenvoudiger inboedelbestanddelen die in het Catharijneconvent staan opgesteld. De dochters hebben hun poppen toegestopt in een poppewiegje, beschilderd met bijvoorbeeld de geschiedenis van Esther, ze hebben gespeeld met de miniatuur mangelbak waarop Mozes water uit de rots slaat en in de koekplank, die een afbeelding draagt van Adam en Eva aan weerszijden van de Boom der Kennis, speculaasgebak gemaakt. Het zijn juist deze gewone huiselijke voorwerpen die aan de dagelijkse bijbellezingen reliëf gaven.

De Utrechtse catalogus besteedt veel aandacht aan de verschillende bijbels die van de 16e eeuw tot de 18e eeuw in Nederland in zwang waren. Voor de kunstenaars en ambachtslieden zijn de zogenaamde prentbijbels van belang geweest. De tekst, soms één enkele regel, is hier ondergeschikt aan de vele illustraties. Een van de gravures in een geëxposeerde prentbijbel beeldt het verhaal uit van Christus en de overspelige vrouw. Die gravure diende als uitgangspunt voor een houtbewerker die de voorstelling overnam op een hakkebord (de bovenste kant van de spiegel van een schip). De houtsnijder heeft zich niet aan Christus' stralenkrans gewaagd en het perspectief van de zuilengang klopt evenmin, maar die onvolkomenheden maken veel van de charme van deze volkskunst uit.

Soms bestaat er geen duidelijk verband tussen decoratie en voorwerp, zoals bij de overspelige vrouw en het schip. De onderkant van een zilveren snuifdoos toont, om een onnaspeurbare reden, Job-op-de-mestvaalt, die zich ongegeneerd krabt. Logischer is de radgravure op een laat 18e-eeuws gelegenheidsglas. Het zijn de twee bijbelse vrienden, David en Jonathan, die de gasten tot een vriendschapsdronk uitnodigen. Bij een geborduurde schoorsteenval laat de maakster de keuze uit zes oudtestamentische taferelen. Een ervan, de drie engelen die de bejaarde Abraham en zijn even bejaarde vrouw Sara nakomelingschap beloven, ontroert: de engelen hebben nog geen sleepgewaden of vleugels verdiend. Als verlegen meisjes staan ze in korte jurken hun delicate missie te vervullen. Op hun hoofd is een babyachtige spuuglok geborduurd. Kunstzinnige spiritualiteit moet men van deze gegraveerde, geschilderde, uitgehakte en gehandwerkte voorstellingen niet verwachten. Maar wat ze te kort komen aan heiligheid, winnen ze aan humaniteit.

Op de thematentoonstelling Het Oude Testament in de schilderkunst van de Gouden Eeuw in het Amsterdamse Joods Historisch Museum zien we het merendeel van de bijbelse helden en heldinnen terug, vooral de heldinnen. Als ooit het verwijt onterecht is dat geschiedschrijving neerkomt op een zaak van mannen over mannen, is dat bij de verhalen uit het Oude Testament. Hier zijn de vrouwen de durvers, de doeners; zij nemen het initiatief en streven een heilig doel na.

Op een schilderij, toegeschreven aan Pieter de Grebber, maakt Esther haar toilet om met zachtmoedige overreding Ahasveros te bewegen de joden te sparen. Een doek, bestemd voor het stadhuis in Dordrecht en geschilderd door Christiaen van Couwenbergh, heeft de list van Delila tot onderwerp. Zij zal, daartoe gebracht door de Filistijnen, Simson overmeesteren door zijn nog nooit geschoren hoofdhaar, de bron van zijn kracht, af te laten knippen. Van Couwenbergh geeft het ogenblik weer waarop de bediende zijn werk begint. In opperste concentratie beduidt zij hem behoedzaam te werk te gaan zodat de op haar schoot slapende Simson niet wakker wordt.

Er wordt vaak gesteld dat een bijbelse gebeurtenis een schriftuurlijk verantwoord excuus bood om een mooie, min of meer naakte vrouw af te beelden. Als dat zo fraai en zo functioneel gebeurt als in Goltzius' "Lot en zijn dochters' kan niemand bezwaar maken. Vaders en dochters zijn in een geanimeerd gesprek gewikkeld. Bijna verstrooid houdt Lot zijn ene dochter bij de schouder. Zij lijkt er al zeker van dat de opzet van beide zusters - die na de brand van Sodom en Gomorra vrezen geen nageslacht te krijgen en daarom hun vader verleiden tot gemeenschap - succes heeft. De begrijpelijke nervositeit van de tweede dochter heeft Goltzius heel subtiel weergegeven. Hoewel Lot nog een gevuld drinkglas vasthoudt, houdt zij de kruik in de aanslag om haar vader nog eens in te schenken, op gevaar af dat de wijn wordt uitgegoten op het stilleven van kaas, brood en vruchten. Op het doek is ook de bijslaap van Lot en de vrouwen te zien. Iconografisch behoort dit niet tot de traditie van het verhaal.

Het Catharijneconvent heeft de voorzorg genomen enige bijbels in de tentoonstellingsruimte neer te leggen. Dat is niet overbodig, want deze geschiedenissen zijn niet meer algemeen bekend. Nog minder bekend is een boek van Flavius Josephus, de "Joodse Oudheden'. De schrijver, die in de eerste eeuw na Christus leefde, heeft de historie van de bijbelse helden naverteld en gepsychologiseerd. In de Amsterdamse catalogus maakt Christian Tümpel duidelijk dat een aantal kunstenaars (onder wie Lievens en Lastman) dit boek destijds kende en bij een onderwerpkeuze gebruikte. In welke mate dat het geval was, zou door een ambitieuze kunsthistoricus moeten worden onderzocht. De citaten uit Flavius Josephus, in de catalogus genoemd, zijn zo levendig en boeiend dat een dergelijk bronnenonderzoek alles behalve saai hoeft te zijn.