Algerije betoogt dansend voor democratie

ALGIERS, 3 JAN. Bij tienduizenden liepen ze gistermiddag - handenklappend, zwaaiend met olijftakken, dansend en de democratie aanprijzend - door de binnenstad van Algiers. Jongeren en ouderen. Arbeiders en armoedzaaiers, ja zelfs bedelaars. Gegoede middenstanders, studenten, en boeren uit Kabylië, zwaar leunend op een knoestige stok. Groepen vrouwen en meisjes in Westerse kleding, maar ook gesluierd of in traditionele jurken met doekjes voor het gezicht.

De kenners schatten hun totale aantal op meer dan 300.000. Alleen de baardmannen, de "barbus', ontbraken. Want wie tegenwoordig in Algerije een baard draagt, wordt onmiddellijk geassociëerd met het FIS, het radicaal-fundamentalistische Front van de Islamitische Redding.

Zij allen hadden gehoor gegeven aan de oproep van Aït Ahmed, de leider van het FFS (het sociaal-democratische Front van de Socialistische Krachten). Hij had een paar dagen geleden de democratische krachten in het land gevraagd om in een vreedzame betoging massaal steun te betuigen aan de democratie, die door de verkiezingsoverwinning van het radicaal-fundamentalistische FIS (het Front van de Islamitische redding) in de wieg gesmoord dreigt te worden.

De democratische concurrenten van Aït Ahmed - verenigd in het maandag opgerichte Nationaal Comité voor het Behoud van Algerije - hadden aanvankelijk niets gezien in Aït Ahmeds mars. Want hij had - na enige aarzeling - alsnog geweigerd de oproep van het Comité te onderschrijven om de tweede ronde van de parlementsverkiezingen niet door te laten gaan.

Maar gistermiddag wijzigde het Nationaal Comité, waarin ook de vakbonden vertegenwoordigd zijn, zijn strategie. Het riep op tot een demonstratieve mars voor de democratie - te beginnen om één uur 's middags - dezelfde tijd van Aït Ahmeds mars en langs dezelfde route. Welingelichte kringen meldden dat Aït Ahmed razend was dat “zijn” mars in die van de anderen werd verzopen. De vijanden van het FIS lijden allen aan de ziekte die de Algerijnse politiek al tientallen jaren kenmerkt: het onvermogen samen te werken als men daartoe niet door een dictator wordt gedwongen.

Nu hadden de democratische partijen - hoewel nog steeds diep verdeeld - zich althans in één mars verenigd. Zij waren gekomen, in de hoop alsnog het tij te keren. Ze riepen ritmisch: “Geen fundamentalistische staat, geen politiestaat! Democratie, democratie, democratie!”

Pag.4:

Leger en volk samen voor de democratie

Zij scandeerden: “Fundamentalisme is fascisme. Halt aan het fascisme”. Of: “Algerije is niet te koop. De democratie ook niet.” Zij hieven spandoeken: “Tegen de krachten van de naargeestigheid”, “Ja tegen de verandering, nee tegen de dictatuur” en “Voor een vrij en gelukkig Algerije”.

Onder de toeschouwers bevonden zich ook aanhangers van het FIS. Zij wisten dat deze demonstratie de cijfermatige eindzege van het FIS in de tweede verkiezingsronde niet meer kan beïnvloeden. Dus wezen zij met de wijsvinger naar boven - naar God, die het nieuwe Algerije zal besturen. Zij hieven, bij wijze van spandoek, hun koran in zakformaat op. En als een groep betogers met de leus voorbij kwam: “Algerije: vrij en democratisch”, riepen zij “en islamitisch”.

Het waren minieme plaagstootjes. Want de leiders van het FIS hadden hun aanhang in pagina-grote advertenties in de kranten opgeroepen om “op geen enkele vorm van provocatie in te gaan (...) om jouw vijanden niet de gelegenheid te stellen tegen jou te keer te gaan (...)”. Ze zijn bang dat het leger zal ingrijpen als er ook maar iets gebeurt.

Alleen op het Place de Martyrs, aan de voet van de Kasba, waar het FIS in de stinkende en overvolle straten en stegen heer en meester is, konden de FIS-aanhangers zich niet langer bedwingen. Zij begonnen te schelden en op te dringen. Er ontstonden even rellen, waaraan de oproerpolitie plus de ordedienst van het FIS snel een einde maakten.

Voor het overige was het een goedmoedige en vrolijke betoging - alsof de honderdduizenden met z'n allen naar een bruiloft gingen. Sommige groepen dansten, andere groepen, afkomstig uit de communistische beweging, zongen het lied dat vóór de oktober-rellen van 1988 zo populair was: “Het volk is vrij. Het zal tot de eindzege vechten voor democratie en vrijheid. Wij zijn nog revolutionairen”. Weer andere groepen wensten de democratie een gelukkig nieuwjaar toe. De vrouwen hieven hun feestelijk yoeh-yoeh-geroep aan en de omstanders, die eveneens bij duizenden gekomen waren, applaudisseerden en lachten.

Maar onder die vrolijkheid borrelden angst en onzekerheid. Slechts heel weinig mensen hadden hun kinderen meegenomen. Het was een massale optocht van volwassenen die problemen verwachtten, misschien zelfs schietpartijen. Sommige groepen hoopten daarop. Want dan zou het leger ingrijpen en een eind maken aan de machtsovername van het FIS, die na de tweede verkiezingsronde op 16 januari vrijwel vast staat. Vooral de vrouwen en de Berbers uit Kabylië, die door hun Arabisch sprekende landgenoten traditioneel gezien worden als onvoldoende islamitisch en Arabisch, maken zich grote zorgen.

Het was dan ook geen toeval dat velen vriendelijk naar de legerhelikopters wuifden, die laag overvliegend de massa's filmden. Evenmin was één van de meegevoerde leuzen verbazingwekkend: “Het leger en het volk, samen voor de democratie”. Wellicht uit die wens, de vader van de gedachte, zijn de steeds sterkere geruchten te verklaren dat er binnen tien dagen een staatsgreep plaats zal hebben - in naam en ter bescherming van de democratie. Dan zouden de legergeneraals wel eens niet alleen de verkiezingen en de democratie, maar ook president Chadli Benjedid terzijde kunnen schuiven.

Maar misschien is die staatsgreep helemaal niet nodig. Want zeer waarschijnlijk moet de Algerijnse democratie her-examen doen en komt er half april in een nog onbekend aantal kiesdistricten een derde verkiezingsronde. Van de 188 zetels die het FIS in de eerste ronde heeft gewonnen, worden namelijk nu een kleine 150 zetels betwist. Die zou het FIS via intimidatie, omkoping, fraude en bedrog hebben gewonnen - wat gemakkelijk kon omdat het FIS sinds de gemeenteraadsverkiezingen van juni 1990 in zo vele kiesdistricten vrijuit kon regeren.

Zo hadden bijna een miljoen kiezers geen kieskaarten gekregen, terwijl bij voorbeeld op het (door het FIS gecontroleerde) stadhuis van de deelraad Al Bihar in Algiers duizenden kieskaarten lagen, die ter plaatse aan FIS-aanhangers werden uitgereikt.

Weliswaar had het ministerie van binnenlandse zaken opdracht gegeven aan de voorzitters van de stembureaus om allen te laten stemmen die in het kiesregister waren ingeschreven en zich als zodanig konden legitimeren. Maar de buitenlandse waarnemers konden constateren dat kiezers zonder kieskaart in vrijwel alle gevallen niet tot de stemhokjes werden toegelaten, omdat - zoals de voorzitters van diverse stembureaus uitlegden - “wij nog geen andere instructies van het ministerie hebben ontvangen”. Bovendien zijn er onwaarschijnlijk veel stemmen ongeldig verklaard: bijna een miljoen.

Al die klachten, voornamelijk afkomstig van de zo smadelijk verslagen regeringspartij FLN, worden de komende dagen door de Raad van Grondwet behandeld. De Raad staat onder de indirecte controle van president Chadli Benjedid. Het zou dus niemand verbazen als zeer veel van de klachten toegewezen worden, waarna - opdat de democratie recht worde gedaan - een nieuwe plaatselijke stemming volgt.

Geen wonder dat steeds meer FLN-figuren die zich nog maar een paar dagen geleden reddeloos verloren voelden, nu opeens niet meer zo radeloos zijn. Glimlachend merkte één van hen op: “Nog is Algerije niet verloren”.