Zelfs Berlage ontwierp behang

Een bezoek aan een Nederlandse behangwinkel levert vaak niet meer op dan een stalenboek vol vegen in grijs, laffe streepjes en konijntjes. Maar de belangstelling voor exclusief behang stijgt.

Behang, onze derde huid, De geschiedenis van het behang tot 1800, t-m 1 maart in het Goois Museum (Kerkbrink 6 Inl 035-292826) di t-m zo 11-17u en in Expositiecentrum Gooiland (Emmastraat 2 Inl 035-292826) Hilversum. De tentoonstelling reist later naar Helmond en Leeuwarden). Antiek Design, Hoornse behangselontwerpen, tot 13 jan in Westfries Museum, Roode Steen 1 Hoorn. Inl 02290-15597. Ma t-m vr 11-17u, za en zo 14-17u. Catalogus E.F. Koldeweij, M.J.F. Knuijt, E.G.M. Adriaansz: ”Achter het behang, Vierhonderd jaar wanddecoratie in het Nederlandse binnenhuis', Uitg Simons & Partners, Amsterdam.

Behang is het meest abstracte onderdeel van de woninginrichting. Stoelen, servies, lampen dienen ergens voor; een mens heeft ze eerst nodig, daarna pas gaat hij denken over hun vorm. Behang is alleen maar decor. Soms duikt een zweem van functie op: een kleed tegen een koude wand zorgde eeuwen geleden voor een iets minder kil hoekje in huis, papieren behangsel in de bedstee hield de insecten uit de kieren, en in onze tijd hoorde je wel eens over ”afwasbaar behang', fris en praktisch zelfs in het kleinste kamertje. Maar dat zijn de marginale nuttigheden van iets essentieel overbodigs. Je kunt een muur eenvoudig kaal laten, wit kalken, geel rollen desnoods; maar wie behang neemt wil iets. Hij stelt een representatieve daad.

Een bezoek aan een willekeurige behangverkoper (meestal een verfwinkel, al dan niet opgewaardeerd tot decorette) geeft een diep deprimerende indruk van wat de Nederlanders zo in het algemeen willen. Stalenboeken vol vegen in het grijs of het pastel, fletse, onbestemde bloemen, zieke bobbels van schuim of wat het ook moge zijn, laffe streepjes, en voor de babykamer de meest achterlijke konijntjes uit het wenskaartenrek. Heeft het te maken met de nuchtere zuinigheid van de Nederlander, met zijn warsheid van representatie?

Hoe het zij, de reputatie van het behangetje is zo laag gezonken dat, toen het Goois Museum het plan opvatte om een tentoonstelling over behangsels te organiseren en daarvoor sponsors zocht, de benaderde fabrikanten eerst kopschuw reageerden. Behang, jullie willen het toch niet zo noemen? Spreek dan toch liever van wandversiering, woondecoratie, smeekten zij, alles, maar niet behang!

Maar de kunsthistorici zetten door en de sponsors werden toch bereidwillig. Want wat bleek? Het behang bevindt zich in een fase van herwaardering. Wie een van de glossy interieurbladen opslaat, ontdekt dat een eigentijds vertrek eigenlijk al niet meer zonder kan - niet het massaprodukt dat de decorette verkoopt, maar sprekende, kleurrijke ontwerpen, steevast ingevoerd uit het buitenland, met sierranden langs plafond en plint. Aan kaal functionalisme, zo beseffen steeds meer vormgevers, valt lang niet zo veel eer te behalen als aan trotse opsmuk. De tentoonstellingen in het Goois Museum, het Expositiecentrum Gooiland en het Westfries Museum in Hoorn zijn veel meer dan een teken van de oplevende belangstelling voor behang. Zij vormen samen ook het eerste grote overzicht van de geschiedenis van het behang in Nederland.

De eerste vormen van behang waren kleden en tapijten, die werden opgehangen en weer verwijderd konden worden. De grens met het gordijn - zeker het bedgordijn - was vloeiend. Zoals de geschiedenis van kast en stoel ooit is begonnen met de kist en de klapstoel, zo begon ook behang als iets verplaatsbaars, iets tijdelijks. Je kon altijd opeens weg moeten. Vaak ook wisselde de inrichting met de seizoenen. Natuurlijk bestonden er daarnaast wandschilderingen, betimmeringen en betegelde muren, maar behang ontstond niet, zoals wij geneigd zouden zijn te denken, als een goedkoop alternatief voor die drie. Alle wanddecoratie, alle interieurontwerperij speelde zich immers tot voor honderd jaar af in een sfeer van volstrekte, elitaire luxe.

Op de tentoonstelling in Hoorn valt aardig te zien hoe in de achttiende eeuw het idee post vatte om vertrekken als geheel in te richten en te decoreren. Er zijn onder meer ”behangsels' te zien in de vorm van grote schilderijen in olieverf op doek, meest landschappen met huisjes, bomen, koeien, boerenwagens en niet te vergeten menselijke figuren, die in sierlijke lambrizeringen werden gespannen. De schilderingen werden geheel naar de persoonlijke smaak van de opdrachtgever - vaak als aquarel - ontworpen en vervolgens nauwkeurig overgezet op het juiste formaat en materiaal. Ook van die ontwerpen, in een provinciaals-elegante stijl, zijn voorbeelden te zien.

De tentoonstelling in Hilversum bevat een breder scala aan behangsels. Er is een kamertje met goudleer - dat was de meest eigentijdse en chique wanddecoratie in de zeventiende eeuw - en er zijn beschilderde linnen wandbespanningen met veel fraaie gestileerde bloemen, een genre dat vanaf het eind van de zeventiende eeuw opkwam. In de achttiende eeuw raakten schilderingen op papier steeds meer in zwang. Alle mogelijke motieven, krullen, guirlandes, vooral beïnvloed door de Franse mode werden toegepast. Tegen het eind van de eeuw werd met lijm en wolpluis - flock, luidt de vakterm - een tapijt-achtig effect bereikt.

Papier werd steeds vaker niet beschilderd, maar bedrukt met behulp van houten blokken, een zeer ingewikkeld procédé omdat voor elke kleur een aparte drukgang nodig was. In het Expositiecenrum Gooiland is een indrukwekkend voorbeeld van die blokdruktechniek te zien, een enorm panorama (meer dan tien meter breed) van een fantasielandschap, typisch een uitvloeisel van de panorama-rage halverwege de negentiende eeuw. Duizenden blokken waren nodig voor het maken van een dergelijk stuk, dat bestaat uit vele verticale banen papier. Het panorama l'Eldorado is gemaakt door de firma Zuber in Rixheim, in de Elzas.

Aan het eind van de negentiende eeuw ontstond het machinaal gedrukte behang, het begin van de weg naar het massaprodukt. Leuk op de expositie in Hilversum zijn voorbeelden van de pogingen die in de jaren 1920-'30 werden ondernomen om door het inschakelen van beroemde vormgevers - zelfs Berlage heeft behang ontworpen - de status van het behang te verhogen. Maar misschien is dat te onaardig uitgedrukt: het idee was natuurlijk om ”de smaak van het publiek te verbeteren'. Het was de firma Rath en Doodeheefver, die zich in die jaren van importeur tot fabrikant aan het ontwikkelen was, die deze opdrachten gaf.

Rath en Doodeheefver is hoofdsponsor van de behangtentoonstellingen in Hoorn en Hilversum; de Hilversumse, die algemener van aard is, zal hierna nog in andere plaatsen te zien zijn. In zijn enthousiasme over de oplevende belangstelling voor behang is R & D zelfs zo ver gegaan, een behang-ontwerpwedstrijd uit te schrijven, waarvan het resultaat eveneens op de tentoonstelling is te zien. Dat de stalenboeken die aan het eind van de tentoonstelling te zien zijn grotendeels van andere, buitenlandse, fabrikanten afkomstig zijn, omdat die nu eenmaal interessantere en artistiek meer verantwoorde produkten maken, is iets wat het Nederlandse behang misschien ook een zetje in de goede richting zal geven.

Het is duidelijk dat niet alleen het moderne behang, maar ook de kunsthistorische belangstelling ervoor aan het begin van een nieuwe bloeitijd staat. De catalogus Achter het behang van E.F. Koldeweij, M.J.F. Knuijt en E.G.M. Adriaansz bewijst hoe veel er over het onderwerp te vertellen is.