WIR-lessen

DE RELATIE TUSSEN overheid en bedrijfsleven is in weinig landen zo dubbelzinnig als in Nederland: het bedrijfsleven in de Gouden Eeuw wàs de overheid en aan het begin van de vorige eeuw was het de eerste koning die de industrie opzette.

Tussen de Amerikaanse praktijk, waar de overheid zich alleen als algemene regelgever en klant met het bedrijfsleven bemoeit, en het Zuideuropese model waar staatsbedrijven de economie domineren, zoekt Nederland moeizaam een middenweg. Het debat over die keuze is zelden openbaar en speelt zich voornamelijk af in de boezem van het overheidsapparaat: tussen de ministeries van financiën en economische zaken.

Economische Zaken moet steeds weer zijn bestaansrecht bewijzen. Als dat niet met prijspolitiek kan, dan moet het met steun aan het bedrijfsleven. Financiën vindt, daarin gesteund door De Nederlandsche Bank, dat het bedrijfsleven, eenmaal verzekerd van een stabiele wisselkoers, evenwichtige arbeidsverhoudingen en beheersing van de inflatie, het zelf maar moet rooien. Op het Frederiksplein zal de ervaring met het toezicht op de kredietverlening ook enige scepsis opleveren ten aanzien van de financiering van het bedrijfsleven.

DE MANIER waarop de overheid omgaat met het bedrijfsleven hangt af van de krachtsverhouding tussen genoemde ministeries en de daar zetelende bewindslieden. Van deelneming in het aandelenkapitaal van een onderneming is de Nederlandse overheid wars (waarschijnlijk omdat zo zelden socialisten regeringsverantwoordelijkheid droegen). Maar toch wil de overheid, met of zonder socialisten, het bedrijfsleven in barre tijden helpen en in goede tijden sturen.

In 1974 werd begonnen met een systeem van investeringspremies bedoeld om bedrijven te bewegen naar noodlijdende regio's te komen of door investeren de werkgelegenheid uit te breiden. Een typische gedachte van Economische Zaken, uitgedragen door “industriepausen” die ondernemingen wilden helpen en sturen door ze geld toe te stoppen. Toen in 1976 de toenmalige minister van economische zaken, drs. R.F.M. Lubbers, in zijn nota Selectieve Groei de Wet op de Investeringsrekening aankondigde, behaalde hij een ruime overwinning op Financiën: bedrijven kregen voortaan van de fiscus geld voor (bijna) alles waarin ze investeerden, van bankkantoor tot baggerschuit. In die conjunctureel magere jaren, waarin de overheid de rijkste was, leefde immers het idee dat zo de groei van de werkgelegenheid vanzelf zou komen. Ruw geschat een honderd miljard gulden kreeg het bedrijfsleven tussen de oliecrisis en het begin van de nieuwe hausse in 1982, terwijl het nauwelijks belasting betaalde.

INMIDDELS HEEFT het gewicht van de toenemende overheidsschuld de zeggenschap van Financiën verveelvoudigd in verhouding tot die van het in omvang krimpende ministerie van economische zaken - dat als teken des tijds onlangs maar de ppm-regeling (een verliesgarantie voor sommige aandeelhouders) op de eigen begroting nam nadat Financiën haar had willen afschaffen. Financiën beheerst nu de begroting. Overheidsbemoeienis met het bedrijfsleven is uit de mode. Privatisering is het geldende motto. Zelfs al wordt met de verkoop van de staatsaandelen in de NV PTT geen haast gemaakt.

Door het gerommel op het laatste moment met de WIR aan ondernemerszijde loopt de discussie over deze uit een andere periode stammende regeling nog door in de nieuwe tijd. Evenals overigens het nog niet geheel verstomde gesprek over het droeve einde van de Maatschappij voor Industriële Projecten (eens het geesteskind van D66-minister van economische zaken Terlouw) biedt die discussie gelegenheid tot bezinning. Vastgesteld kan worden dat de financiële relatie tussen overheid en bedrijfsleven troebel zal blijven, zolang de overheid huiverig is om echt als aandeelhouder op te treden. Wanneer de overheid alleen maar geeft - via subsidie, belastingaftrek of anderzins - ontbreekt de relatie die zou kunnen onstaan wanneer de overheid ook deelt in het succes. Een partij die binnenkomt met uitsluitend het plan geld weg te geven en slechts te delen in de stroppen, bevordert misbruik. Accountants, notarissen of belastingadviseurs zijn niet in staat noch geroepen de ondernemingszin in te tomen.

HET MOMENT IS aangebroken om nieuwe gedragsregels op te stellen, met behulp van de wijsheid opgedaan uit de fouten die in het verleden zijn gemaakt. In de neerwaartse conjunctuur zal de verleiding voor de overheid om “iets te doen” immers weer toenemen. De discussie over de manier waarop de terug te ontvangen ten onrechte uitbetaalde WIR-gelden moeten worden uitgegeven, kan beter even worden uitgesteld totdat die buit binnen is. Wel kan beleid worden ontwikkeld over de manier waarop en wanneer er geld uit de collectieve middelen naar de bankrekening van individuele ondernemingen kan en mag worden overgemaakt. Liefst nog voordat werkgevers en werknemers zich weer in roerende eendracht en ten laste van de belastingbetaler ongegeneerd aan de staatsruif te goed doen.