Welkom bij de Koerden

“Vanavond slaap je natuurlijk bij mij thuis in Batufa”, zegt mijn anders zo meegaande taxichauffeur Azad in een mengseltje van veel Koerdisch en weinig Engels op de laatste dag van een rondreis door Iraaks Koerdistan. Zoals steeds zet hij zijn woorden kracht bij met levendige gebaren. Zijn toon is ditmaal echter beslister dan gewoonlijk. Eerst stribbel ik nog tegen met een vage afspraak om bij functionarissen van de Verenigde Naties te overnachten. Maar wanneer ik Azads hevig teleurgestelde gezicht zie, ga ik alsnog door de knieën.

Opgetogen drukt Azad nog eens flink het gaspedaal van zijn Braziliaanse Passat in, op weg naar zijn geliefde dorpje Batufa. Maar eerst zijn er nog enkele hindernissen te nemen. Door zware regenval is de rivier de Zab aangezwollen tot een woest kolkende stroom. Gelukkig is de veerboot nog steeds in bedrijf. Veerboot is een groot woord. Het geheel blijkt te bestaan uit een primitief vlot, dat wordt opgeduwd door een bootje met een buitenboordmotor van bescheiden vermogen. Per keer kunnen er net twee auto's op. Tergend langzaam slaagt het bootje erin het vlot over de koude, duistere rivier te duwen.

Een eindje verder wordt ons in een dorpje plotseling de weg versperd door bewapende Koerdische verzetsstrijders, aanhangers van de Koerdische Democratische Partij van Massoud Barzani. Wij moeten uitstappen en worden via een pikdonkere trap een huis binnengeleid. In een zaaltje zitten bij een olielampje enkele tientallen peshmerga's. Rustig bekijken ze hun gasten. In gebroken Engels verklaart hun leider vervolgens bars: “U mag vanavond niet verderreizen. Dat is te gevaarlijk.” Na enig gepraat blijkt hij soepeler te zijn dan zich eerst liet aanzien. Hij stuurt twee peshmerga's mee om ons een stuk te begeleiden. Een van hen neemt zelfs het stuur over van Azad, omdat hij de weg beter kent. De nieuwe chauffeur ontpopt zich meteen als een Koerdische Rob Slotemaker. Snel en vaardig rijdt hij ons over glibberige kleiweggetjes, elke kuil in de weg lijkt hij uit zijn hoofd te kennen.

Een paar uur later duikt er opnieuw een rivier op, kleiner weliswaar dan de vorige, maar zonder brug of veerboot. Wel staan er midden in het water twee tractoren klaar om de auto's door het water heen te slepen terwijl de passagiers gewoon in de auto blijven zitten. Als een duivel stuurt "Slotemaker' mee terwijl we worden voortgesleept. Helaas lopen we dichtbij de oever toch nog schuin op een onzichtbare grindbank, waardoor de auto bijna kantelt. Als een haas springen wij tot onze knieën in het water en duwen uit alle macht de auto omhoog en ternauwernood wordt deze vervolgens door de tractor vlot getrokken.

Dan komt de finish binnen bereik. Steeds harder jaagt Azad, en ten slotte rijden we rond middernacht de modderige hoofdstraat van Batufa binnen.

Azad vindt de deur van zijn woning gesloten en ook enig roepen helpt niet. Dan springt hij via een groot olievat behendig over het muurtje van zijn erfje heen en wekt zijn familie. Zijn huis blijkt te bestaan uit slechts één kamer. Op de grond ligt beddegoed, waar de ouders met tussen hen in de twee dochtertjes - Mariwana en Eriwan - slapen. In een donkere hoek klinkt plotseling gehuil. Daar staat een wieg met nog een derde meisje, Sheriban.

Het interieur is uiterst sober. Er brandt één neonlamp en langs de muur staan een paar kastjes. De wandversiering bestaat uit enkele vergeelde affiches van Zwitserse bergdorpen en uit een kleurige poster met de beeltenis van een huilend Koerdisch kind. De glinsterende tranen biggelen duidelijk zichtbaar over zijn wangen. “Mooi hè?” roept Azad enthousiast. “Dat is echt Koerdisch.” In een hoek bevindt zich het pronkstuk van de kamer, een grote koelkast - onmisbaar in de hete Koerdische zomers.

Stromend water is er niet. Hun behoefte doen Azad en zijn familie in een houten hokje waar twee bakstenen zijn neergelegd waartussen je wordt geacht je blaas en darmen te legen. Er ligt al een aardig vrachtje. Om dit privaat te bereiken moet je het buitengewoon modderige erf oversteken, waarbij je schoenen meteen volraken met cementachtige leem. Hier en daar zoekt een kip in paniek een goed heenkomen.

Blij wordt Azad ontvangen, de twee dochtertjes krijgen elk een wanstaltig plastic popje en een kralenketting, die Azad onderweg in een bazaar heeft gekocht, in hun slaapdronken handen geduwd. Zijn vrouw gaat in allerijl aan het bakken en koken om haar man en de onverwachte gast het beste voor te zetten dat ze in huis heeft. We laten ons het soupertje goed smaken.

Een 17-jarige broer van Azad, die ook even geslapen heeft, vertrekt naar een wachtpost buiten het dorp. Hij is een peshmerga en moet die nacht wachtlopen. Zelfverzekerd slaat hij zijn kalashnikov om zijn schouder en vertrekt welgemoed.

Daarna gaan we naar bed. De familie kruipt lekker tegen elkaar in de koude nacht. Ik strek me uit in mijn slaapzak, die nog net tussen de wieg en de koelkast past. Alleen de baby voelt zich te kort gedaan en begint als het licht uit is te huilen. Eerst probeert moeder haar te kalmeren door de wieg heen en weer te schudden, maar dit helpt niet. Even later hoor ik een sabbelend geluid aan mijn voeteneind: Sheriban krijgt de borst. Dan is iedereen in Azads eenkamerwoning tevreden. Snel vallen we allemaal in slaap.