Vrijmetselarij (1)

Bernard Hulsman verwart in zijn bespreking van Levano's spel "Mozart wordt vrijmetselaar' (NRC Handelsblad, 23 december) de voorstelling met de werkelijkheid. Zouden wij hem serieus nemen als hij, ter redactie teruggekeerd van een opvoering van Heijermans' "Op hoop van zegen' meende te kunnen beoordelen hoe het in de visserij toegaat? Gesteld al dat Levano ons een adequaat beeld gaf van een Weense vrijmetselaarsloge anno 1784 (quod non, en dat was ook niet beoogd), dan nog zou dat weinig of niets zeggen van de vrijmetselarij nu.

Ieder oordeel over de vrijmetselarij op grond van dit stukje toneelspel is uit de lucht gegrepen. Als Hulsman moet denken aan "een uit de hand gelopen jongensclub', bewijst dit slechts dat hij niet het geringste vermoeden heeft van wat mensen in de achttiende eeuw kan hebben bewogen om zich in loges aaneen te sluiten, noch van wat Mozarts motieven waren om vrijmetselaar te worden. Dat verbaast me niet, want Levano laat dáárvan ook helemaal niets zien, doet geen enkele poging die uitgaat boven de karikatuur van de uiterlijke vorm. Dat kan hij ook niet, want hij weet van die dingen niets af. Zijn stuk is een vaardig gebracht maar nietszeggend niemendalletje, en meer ook niet.

Overigens wordt in Nederland niemand “afgescheept met nietszeggende antwoorden”, als hij in een loge bijvoorbeeld een open avond bezoekt. Er wordt integendeel uitvoerig besproken wat vrijmetselaars in hun loges doen. Datgene waarover men zwijgt, is dat wat als mededeling niet overdraagbaar is, dat wat alleen ervaren of ondergaan kan worden. En dat is het nu juist waar het om draait, in de vrijmetselarij.