Visa-manager ziet volop kansen voor groei; Doelmatig betalen kracht credit card-organisatie; Visa overweegt interbancair betalingscircuit Swift aan te vallen

ROTTERDAM, 2 JAN. Op het gebied van credit cards is Nederland een onderontwikkeld land. Normaal gesproken heeft in de rijke landen tussen de 60 en de 65 procent van de werkende bevolking deze plastic kaarten op zak. In Nederland is dat nog geen 10 procent.

Dat zegt Richard Cullen, regio manager voor de Benelux van Visa, de grootste card-organisatie in de wereld. Hoewel de Nederlandse banken overwegend hebben gekozen voor Eurocard-Mastercard, de belangrijkste concurrent van Visa, ziet Cullen in Nederland volop mogelijkheden voor groei.

Slechts de Verenigde Spaarbank, Credit Lyonnais Nederland en enkele kleinere spaarbanken bieden hun klanten momenteel Visa aan. Maar dat schrikt Cullen niet af. Hij wijst erop dat de Belgische banken twee jaar geleden massaal Eurocard-Mastercard inruilden voor Visa. Bovendien krijgt hij de helft van zijn nieuwe kaarthouders al buiten de banken om, bijvoorbeeld via Holland International. Dat bij de benzinestations van Shell met Visa kan worden betaald, is ook een machtig verkoopwapen.

De leden van Mastercard en de aandeelhouders van Visa zijn overigens in het algemeen dezelfde. Het zijn de meer dan 20.000 banken en financiële instellingen in de wereld die met genoegen twee concurrende organisaties in stand houden om betalingen te verzorgen.

Want de Nederlandse banken mogen steen en been klagen over de verliezen die zij lijden op het verzorgen van het betalingsverkeer, de uitgifte en verwerking van betalingen met credit cards is voor bijvoorbeeld Amerikaanse banken al jaren het meest winstgevende onderdeel van hun bedrijf. Die discrepantie verklaart Cullen door erop te wijzen dat Visa (en de concurrentie) zich niet in bankieren, maar in de verzorging van betalingen heeft gespecialiseerd en daarin een hoge mate van doelmatigheid heeft bereikt.

Op internationaal niveau acht Visa zich zo sterk in de verzorging van betalingen dat de organisatie overweegt de vrijwel monopoloïde macht van Swift, het interbancaire betalingscircuit, aan te vallen. Cullen wijst erop dat Visa in de Verenigde Staten op verzoek van de Federal Reserve Board al de onderlinge afrekening (clearing) tussen banken verzorgt. Een aanval op Swift ziet hij daarom niet als iets bijzonders. Het gaat er volgens hem gewoon om dat Visa zijn uitgebreide computernetwerk en verwerkingscapaciteit ter beschikking stelt van bedrijven die internationale betalingen willen verrichten.

Cullen wijst in dat verband graag op onderzoek van de Europese commissie dat aantoonde dat wie zijn geld door de twaalf EG-landen laat circuleren, uiteindelijk nagenoeg het hele bedrag aan kosten kwijt is. Die grensoverschrijdende geldtransacties zijn de kernactiviteit van Visa, dat volgens Cullen de meest efficiënte manier heeft ontwikkeld om geld over te maken.

Toch raakt Nederland maar moeizaam aan de credit card. In theorie zouden de card-organisaties op op 8 miljoen particuliere kaardhouders kunnen rekenen, maar in de praktijk hebben de grote vier (Visa, Eurocard, American Express en Diners Club) slechts 1,5 miljoen consumenten gestrikt.

Dat komt vooral doordat een staatsbedrijf (de Postcheque- en Girodienst) hier van oudsher, ook in internationaal opzicht, voorop liep in technologische vernieuwing en betaalgemak. De banken sloten zich daarbij in de jaren zestig met hun Bankgirocentrale aan.

Cullen voorziet dat het bedrijfsleven meer doordrongen zal raken van het betaalgemak van "plastic geld'. Hij noemt warenhuis- en grote winkelketens, die tal van voordelen behalen door eigen credit cards uit te geven. Die zelfde bedrijven zijn nu in de slag met het bankwezen, dat de kosten van elektronisch betalen aan de kassa op hen wil verhalen. Maar waar de banken praten over kosten, spreekt Visa met de bedrijven over extra opbrengsten. Dat klinkt een stuk aantrekkelijker.

Het bestaan van Visa en de card-organisaties zou banken weleens kunnen belemmeren in hun pogingen de detailhandel te laten betalen voor de kosten van elektronische verwerking van betalingen door klanten. Op korte termijn hoeven de banken zich daarover het hoofd overigens niet te breken. Dank zij de huidige hoge rentestanden verdient het bankwezen zoveel op aangehouden banktegoeden, dat het betalingsverkeer per saldo winstgevend is. Bank Pierson, Heldring en Pierson (die zelf uit kostenoverwegingen het betalingsverkeer grotendeels heeft afgestoten) berekende onlangs dat het betalingsverkeer in 1991 voor cira 1 miljard gulden bijdraagt aan de winst van de ABN Amro, Rabo en NMB-Postbank. Deze berekening werd Pierson dooor het gezamenlijke bankwezen niet in dank afgenomen.

Cullen, die zich zorgvuldig hoedt voor uitspraken waarmee hij het banken op de tenen kan trappen, onthoudt zich van commentaar. Wat de winstgevendheid van credit cards voor het bankwezen betreft, verwijst hij naar de individuele instellingen. Maar dat de card-organisaties een bruikbare infrastructuur klaar hebben, die een bijdrage aan de winst van banken kan leveren, is duidelijk. Gegeven het grote gebruikerspotentieel, verwacht Cullen voor zijn aandeelhouders (de banken) ook in Nederland nog veel aan het betalingsverkeer te verdienen.