Vietnamezen zorgen voor botsing binnen de rechterlijke macht

AMSTERDAM, 2 JAN. Het beeld van de rechterlijke macht in Nederland wordt in sterke mate bepaald door het kort geding, een procesvorm waarin de (fungerend) president van een rechtbank heet van de naald een voorziening geeft in een acuut conflict. Zeker in deze alerte vorm van rechtspraak kan het resultaat uiteenlopen al naar gelang tijd, plaats en omstandigheden van het geval.

Toch is het opmerkelijk dat op dezelfde dag (de dag voor oudjaar) dezelfde rechtbank (Den Bosch) tot tegengestelde uitspraken kwam in dezelfde kwestie, namelijk die van de uit Tsjechoslowakije afkomstige Vietnamezen. Drie mochten van rechter Van der Werf de uitslag van het beroep tegen hun afgewezen asielverzoek in ons land afwachten, in het geval van twee anderen oordeelde rechter Robers-Obbes directe uitzetting niet onrechtmatig.

Rechter Van der Werf volgde daarmee de lijn die al voor Kerstmis door zijn collega's Thijssen en Povel was uitgezet. Robers sloot zich aan bij een afwijzend vonnis van de Haarlemse vice-president De Groot, de dag voor kerst. Eind oktober en medio november was de Zwolse rechtbank enkele Vietnamese asielzoekers al tegemoetgekomen. Deze gunstige uitspraken konden echter nog worden toegeschreven aan de bijzondere omstandigheden van de asielzoekers. In het eerste geval was er een speciale familieband met Nederland, zodat een Oosteuropese staat niet kon gelden als land van eerste opvang. In het tweede oordeelde de Zwolse rechtbankpresident dat een asielzoeker bij terugkeer in Vietnam last zou kunnen krijgen met speciale aantekeningen in zijn paspoort.

Staatssecretaris Kosto (justitie) wijst de asielverzoeken van Vietnamezen uit Tsjechoslowakije in beginsel af. Daarbij beroept hij zich er op dat zij min of meer als gastarbeider naar Tsjechoslowakije zijn gekomen, dat dit land na de omslag in 1989 voldoende minimumwaarborgen voor hun behandeling biedt en dat de Vietnamezen die in aanmerking komen naar huis te worden teruggezonden buiten de gevarenzone blijven. Dit laatste zou blijken uit een verklaring van de vertegenwoordiger van de Hoge Commissaris voor vluchtelingen van de VN die in juli liet weten dat de Vietnamese regering “over het algemeen weinig belangstelling blijkt te tonen voor de wijze waarop de gastarbeiders terugkeren, noch of de betrokkene langer dan wettelijk toegestaan in een Oosteuropees land heeft verbleven”. Tjechoslowakije is inmiddels toegetreden tot het vluchtelingenverdrag zodat het geen personen mag terugzenden die vervolging wegens hun politieke achtergrond te wachten staat - het zogeheten non-refoulement-beginsel uit het internationale asielrecht.

Dat laatste zal waar zijn, luidt de bedenking van het dissidente deel van de rechtbank in Den Bosch, maar er is ook nog zoiets als het gevaar van een onmenselijke of vernederende behandeling in het land waar mensen naar worden teruggestuurd. Dit wordt verboden door artikel 3 van het Europese verdrag voor de mensenrechten, waaraan Nederland is gebonden, maar Tsjechoslowakije (nog) niet. Dit laatste land kan dan wel bescherming bieden tegen refoulement, het is geen partij bij het Europese verdrag, zodat het probleem van een onmenselijke of vernederende behandeling in de uiteindelijke ontvangststaat als het ware buiten haken wordt geplaatst.

Het is een uiterst subtiele redenering die de kritische stroming van de rechtbank Den Bosch ten beste gaf. De Vietnamezen kunnen in beginsel niet als vluchteling worden beschouwd - daarover zijn alle rechters het tot dusver eens - en vallen dus buiten de rechtsbescherming krachtens het vluchtelingenverdrag die Tjechoslowakije wèl biedt. Juist omdat ze geen vluchteling zijn zouden zij dan wel aanspraak kunnen maken op een vorm van rechtsbescherming krachtens het Europese verdrag die Tsjechoslowakije nu net niet kan bieden.

Aanknopingspunt voor de vrees dat de Vietnamezen bij terugzending naar hun vaderland een onmenselijke of vernederende behandeling te wachten staat is vooral de dreiging van "heropvoeding' wegens republiekvlucht, vakterm voor een delict dat er uit bestaat dat iemand zonder toestemming van de autoriteiten het land verlaat. In Vietnam is republiekvlucht een misdrijf. En heropvoeding is daar geen pretje.

Het belang van de uitspraak van de rechters Thijsen c.s. is dat hij van algemene aard is, onafhankelijk van de individuele aspecten. Justitie heeft er dan ook direct hoger beroep tegen aangetekend. Het moet worden gezegd dat de uitspraken de nodige juridische vragen openlaten. Om te beginnen speelt het gevaar van republiekvlucht in het geval van de Vietnamezen uit Tsjechoslowakije slechts indirect; het gaat niet om hun eigen land maar om een uitzendland. Doorgaans kwamen alleen gekwalificeerde krachten voor uitzending naar Oost-Europa in aanmerking, mensen aan wie in Vietnam zelf ook behoefte is. Geldt dat dan niet bij terugkeer? Strafbaarstelling van republiekvlucht vormt op zichzelf voor Nederland trouwens geen humanitair bezwaar; dat geldt alleen wanneer sprake is van excessieve bestraffing. De Hoge Commissaris van de VN is daarvan zoals gezegd niet overtuigd. De rechter in Haarlem overwoog in zijn negatieve beslissing op dit punt in het bijzonder dat Nederland er voor waakt een afgewezen asielverzoek in een paspoort aan te tekenen. De Vietnamese regering hoeft met andere woorden wat ons betreft dus geen aanleiding tot ingrijpen te hebben.

Op zichzelf is het bedenkelijk dat de Nederlandse regering in zo'n belangrijke kwestie kennelijk over weinig concrete gegevens beschikt. Dat geldt temeer daar rechters, naar zeggen van vice-president Kalbfleisch van de Haagse rechtbank (die de kort gedingen in asielzaken coördineert), “zwaar tillen” aan de officiële ambtsberichten wegens de politieke controle daarop door het parlement. Het hele argument van een dreigende onmenselijke of vernederende bestraffing dat in de Vietnamese zaken zo'n grote rol speelt ligt juridisch echter niet eenvoudig. Volgens het gezaghebbende commentaar van de professoren Van Dijk en Van Hoof op het Europese verdrag komt de maatstaf van artikel 3 in het geval van uitzetting in hoge mate overeen met de (internationale) normen voor asielverzoeken. Dit verdrag heeft zelf namelijk geen asielbepaling en daarom lost men dit op via artikel 3. Dan is het vreemd om eerst te zeggen dat de Vietnamezen geen vluchteling zijn en dan toch in de op dit punt zozeer vergelijkbare toets van het mensenrechtenverdrag een belemmering voor uitzetting te zien. De Raad van State - bij wie het eindoordeel over asielverzoeken ligt - heeft zich tot dusver terughoudend betoond uitzetting te verbieden wegens het gevaar voor onmenselijke of vernederende behandeling, al heeft hij onlangs deze maatstaf wel voor het eerst erkend. De betekenis daarvan is nog niet duidelijk.

Uitgerekend in het geval van Tsjechoslowakije is er nòg een belangrijke complicatie. Vorig jaar februari trad dit land als 25ste lid toe tot de Raad van Europa, de gemeenschap van democratische rechtstaten van ons werelddeel. Als onderdeel van deze toetreding tekende Tsjechoslowakije het Europese verdrag voor de mensenrechten. Dat is nog iets anders dan bekrachtiging, maar het behelst wel een inspanningsverbintenis om ernst te maken met de mensenrechten, inclusief het verbod op onmenselijke of vernederende behandeling. Frankrijk heeft het Europese verdrag in 1950 getekend en pas in 1974 bekrachtigd, terwijl het nog weer zeven jaar duurde voordat dit land het recht van individuele personen om een klacht in te dienen erkende. Toch is dit voor Nederlandse rechters voorzover bekend geen categorische reden geweest uitzetting naar Frankrijk dertig jaar lang te blokkeren. Het is dus iets te makkelijk wanneer de rechter in Den Bosch de aanspreekbaarheid van Tsjechoslowakije ten aanzien van de Vietnamezen kortweg afdoet met de opmerking dat dit land “geen partij” is bij het Europese verdrag.