Veel Algerijnen begrijpen de anderen niet; Diepe afgrond gaapt tussen pro- en anti-fundamentalisten

ALGIERS, 2 JAN. De sjofel geklede man die fluisterend zijn diensten als zwarte taxirijder aanbood, bleek timmerman in een staatsbedrijf te zijn. Met zijn Lelijke Eend probeerde hij her en der in Algiers wat extra dinars te verdienen omdat het leven zo duur was geworden en hij ter gelegenheid van oudejaarsavond fruit voor zijn vijf kinderen wilde kopen. Maar toen hij eenmaal zijn diensten had verhuurd, wist hij van geen ophouden. Wij mochten bij onze eindbestemming niet uitstappen; eerst moest hij uitleggen dat het in Algerije nu eindelijk beter zou worden - God zij geloofd en gedankt - nu de islam en de mensen van het FIS (het Front van Islamitische Redding) het land zouden gaan besturen.

Er zou een einde komen aan de corruptie. Iedereen zou een baan en fatsoenlijke woongelegenheid krijgen, - door openbare werken op te zetten en de schandelijk verwaarloosde landbouw nieuw leven in te blazen. Zij die dertig jaar hun medeburgers hadden geëxploiteerd, zouden de rekening gepresenteerd krijgen. De shari'a, de islamitische wetgeving, zou worden ingevoerd en eindelijk voor sociale gerechtigheid zorgen. “Daarover hebben die dieven van de vroegere eenheidspartij, het FLN, altijd gesproken. Maar zij beleden dat uitsluitend met de mond. Hoe komen ze aan hun mooie villa's? Ze hebben ons land kaalgeplukt. En iedereen weet hoe groot en rijk ons land is. We gaan het nu allemaal controleren: van welk geld heb jij die villa gekocht? En als ze niet kunnen aantonen dat dat op een eerlijke manier is gebeurd, dan gaan ze - hup - tegen de muur en worden hun huizen verdeeld onder de mensen die het echt nodig hebben.”

Acht jaar geleden had hij de kant van het Geloof gekozen om van zijn verslaving af te komen. Hij was steeds meer gaan bidden en zich langzamerhand bewust geworden dat alleen invoering van de shari'a uitkomst kon bieden. “Want Gods wetten gelden voor iedereen, tot aan de president toe. Als hij zich eraan houdt, kan hij aanblijven. Als hij ze schendt, zoals Chadli Benjedid heeft gedaan, moet hij verdwijnen.”

Op de vraag of de shari'a in Saoedi-Arabië een rechtvaardige samenleving had opgeleverd, antwoordde hij ontkennend. “We weten toch allemaal dat de shari'a alleen maar in Mekka geldt en dat er verder overal in Saoedi-Arabië overspel is, dat er bars en casino's zijn en alle slechtigheid die je je maar kunt voorstellen. Het volk daar wil dat allemaal niet, maar het volk heeft daar geen macht. Hier heeft het volk wèl macht. Kom over een jaar terug en dan zult u zien hoe alles hier is veranderd.”

De drie meisjes - ongeveer 20 jaar oud - in de Rue Didouche Murad, de drukste winkelstraat van Algiers, zagen er prima verzorgd uit; ze waren opgemaakt, droegen redelijk korte rokken en hadden hun haar niet onder een hoofddoek verborgen, zoals goed oppassende moslims van het vrouwelijke geslacht betaamt.

Toch hadden twee van hen vorige week op het FIS gestemd. Waarom? “Om eens goed af te rekenen met al die lui die nu in hun BMW rondrijden”, zei de één. “Omdat het hier ècht anders moet”, zei de ander. Het derde meisje had niet gestemd - “omdat ik hoofdpijn had”.

Waren ze bang voor de islamitische Godsstaat die in Algerije over enkele weken van de grond moet komen en waarschijnlijk hun leven ingrijpend zal veranderen? “Waarom zouden we bang zijn?”, zei de één. “Zo'n vaart zal het niet lopen. En bovendien: ik ga binnenkort trouwen en zo leuk vind ik het werken buitenshuis nu ook weer niet. Wat verdien je ermee? Haast niets. Het FIS heeft trouwens vrouwen die zich behoorlijk gedragen en hun kinderen een goed-islamitische opvoeding geven, een extra uitkering beloofd.”

Het meisje dat niet had gestemd, wilde zich ook niet uitlaten over het FIS, waarvoor zij kennelijk weinig sympathie had. Zij gedroeg zich, zoals men in zo vele Algerijnse families doet: zij ontweek elke politieke discussie om botsingen met haar vriendinnen te voorkomen.

In bijna alle regio's van het land en in vrijwel alle lagen van de bevolking gaapt een diepe afgrond tussen de pro- en de anti-FIS-gezinden. Maar al te vaak zijn binnen één gezin de jongeren pro- en de ouderen anti-FIS. “Er bestaat bij ons een culturele en daarmee een politieke generatiekloof”, legt een advocaat uit. “De mensen boven de 35 jaar begrijpen niet wat de jongeren bezielt. Het is alsof zij een andere taal spreken.” Hijzelf is 52 en begrijpt het dus ook niet meer.

Hij haalt het weekblad Hebdo Libéré aan, dat de spot dreef met het ideologisch zo misbruikte begrip volksmassa's. “Een massa: dat zijn al die jongeren die hoog nodig naar de psychiater moeten. Dag en nacht dromen zij ervan naar Canada en Australië te emigreren, maar zij stemmen voor het FIS.”

Maar dan wordt hij weer vertwijfeld. Hoe is het mogelijk dat mensen zo goedgelovig zijn? Hoe kan het dat zoveel jongemannen als zoete koek de beloften slikken van het FIS: dat de zeer zware dienstplicht (thans twee jaar met vrijwel geen soldij) onder een FIS-regering tot een half jaar wordt ingekort?

Wie het evenmin begrijpt, is Slimane, een journalist, nog geen 30, niet partij-gebonden, maar wèl fel anti-FIS. Zijn 23-jarige broer die bij hem inwoont en “veel uiteenlopende karweitjes opknapt”, besloot ongeveer tien dagen geleden regelmatig te bidden. “Hij stemde FIS en hij heeft mij aangeraden dat ook te doen. Dat was verstandiger, dacht hij.”

Een collega van Slimane, die publiekelijk in diverse media tot een democratisch monsterverbond tegen het FIS opriep, kreeg van een goede vriend - de directeur van een groot blad - te horen dat hij zich aan de nieuwe realiteit moest aanpassen. Dat was verstandiger, het blad had het zelf ook al gedaan. De aldus aangesproken journalist reageerde verbaasd: “Hoe kan ik dat doen? Hoe kun jij dat doen? We kennen de zwarte lijst en de namen van hen, die het FIS, als het eenmaal aan de macht is, wil ophangen.” De krantedirecteur vond zijn vriend te somber. “Als je nu bidt en berouw toont, zal alles best meevallen. De FIS-mensen zijn toch ook Algerijnen, zoals jij en ik?”

Met dat laatste zijn velen het eens, onder wie diverse bekende politici, zoals de vroegere premier Kasdi Merbah. Zij hebben besloten zich aan te passen aan de nieuwe politieke realiteit. De Arabischtalige staatsradio en diverse Arabischtalige kranten hebben al het voorbeeld gegeven. Ze zijn op de FIS-tour en vallen scherp uit tegen de Franstalige kranten Le Matin en Al Watan, die in naam van de democratie tot een boycot van de tweede verkiezingsronde hebben opgeroepen.

Met de afsluiting van het jaar 1991 ging naar veler gevoel ook het oude, vertrouwde Algerije ter ziele. Toen een paar dagen geleden het parlement in een plechtige slotzitting bijeenkwam, merkte een van de vele FLN-afgevaardigden die nu hun biezen moeten pakken, treurig op: “Dit is de laatste maal dat men het volkslied binnen deze muren hoort.”

De luxe hotels waren op oudejaarsavond door de politie met geweren in de aanslag beschermd en hermetisch voor buitenstaanders afgesloten. Alleen de gasten en de feestvierenden die een toegangskaart konden tonen, mochten erin. Want het FIS, dat in zijn massa-demonstraties de van Iran geleende leus meevoerde “Geen Oost, Geen West”, vindt het vieren van oudejaarsavond Westers-decadent.

In de overvolle eetzaal van het Hotel Djazair, waar een orkest oorverdovende muziek ten beste gaf, danste men: de mannen in smoking, de vrouwen uitdagend gekleed. Ze deden vrolijk, alsof er niets aan de hand was. Een van de gasten haalde een Arabisch spreekwoord aan: “Laat mij vandaag leven, dood mij morgen.”

Zij hadden langdurig getafeld en ook la bûche genuttigd, het in Frankrijk traditionele gebak voor oud en nieuw. De afgelopen twee jaar hadden radicale moslims de bakkerijen aangevallen die dergelijke bûches in de etalages hadden staan. Waren het de laatste bûches in Algerije?

De militanten van het FIS hopen en geloven van wel. Want volgens de officiële propaganda van het FIS “begint de werkelijke onafhankelijkheid van Algerije pas nu, en niet met de akkoorden van Evian” . Daarmee had president de Gaulle zijn verzet tegen de Algerijnse onafhankelijkheid opgegeven.