Uit de verste hoeken van de Japanse filmhistorie

Meesters van de Japanse B-film. Tokyo nagaremono - Tokyo Drifter. Regie: Seijun Suzuki (1966); Kenka ereji - Violence Elegy. Regie: Seijun Suzuki (1966); Koroshi no rakuin - Branded to Kill. Regie: Seijun Suzuki (1967); Hakuoki - Het verhaal van de bleke kersenbloesems. Regie: Issei Mori (1959); Aru koroshiya - A Certain Killer. Regie: Issei Mori (1967); Suzaki Paradaisu: Akashingo - Suzaki Paradise: Red Light District. Regie: Yuzo Kawashima (1956). In: Rialto, Amsterdam.

In de weken voordat Emile Fallaux zijn opwachting maakt als nieuwe directeur van het Filmfestival Rotterdam, houdt de met het festival gelieerde distributeur International Art Film uitverkoop van een moeilijk aan de man te brengen onderdeel, dat Fallaux' voorganger Marco Müller in 1991 in Rotterdam presenteerde. De Azië-specialist Müller selecteerde toen een programma van Japanse B-films uit de jaren vijftig en zestig, geconcentreerd rond het oeuvre van drie "meesters': Seijun Suzuki (1923), Issei Mori (1911-1989) en Yuzo Kawashima (1918-1963).

Zoals de Franse critici van de Cahiers du Cinéma eind jaren vijftig propageerden dat bepaalde Amerikaanse makers van B-films beproefde genres (de western, de gangsterfilm, het melodrama) dusdanig naar hun eigen hand zetten, dat deze regisseurs als "auteurs' gezien konden worden, zo verdedigde Müller dat Suzuki, Kawashima en Mori over andere dan zuiver ambachtelijke merites beschikten. Een probleem voor het Nederlandse publiek was daarbij dat er nauwelijks enige bekendheid bestaat met de normale Japanse genrefilm uit die periode. Bovendien, zo bleek uit een discussie in Rotterdam met internationale experts, valt er nogal wat af te dingen op de uitverkiezing van juist deze drie filmers tot "meesters van de Japanse B-film'. De Britse deskundige John Gillett vroeg zich bij voorbeeld af of de meeste geselecteerde produkties wel B-films waren en of uit de regie terecht meesterschap dan wel een auteur-status afgeleid kon worden.

Wie maar een op z'n best oppervlakkige kennis heeft van de Japanse filmgeschiedenis, kan uitsluitend impressionistisch oordelen over de kwaliteiten van het programma, waarvan zes films nu een roulement in de filmhuizen aanvangen. Suzuki is in ieder geval een eigenzinnig filmmaker, brutaal in zijn gebruik van kleur, populaire muziek, de combinatie van geweld en humor. Tokyo nagaremono is een soms oogverblindend kitscherig curiosum in het yakuza-genre, waarin een bendelid naar het platteland gestuurd wordt en in een pastelkleurige nachtclub, onder de klanken van de tot dan al vele malen herhaalde titelsong, in een finaal vuurgevecht met zijn vijanden belandt. Het genot is beperkt tot camp-plezier en een theoretische bewondering voor de extreme smaak van de regisseur. Kenka ereji over jeugdbendes in de jaren dertig en de liefde van een jonge rechts-extremist voor een christelijk meisje, is iets conventioneler vormgegeven, maar bevat genoeg munitie voor de stelling dat Suzuki een opmerkelijk stilist zou zijn.

Twee zeer ongelijksoortige films van Mori bieden weinig houvast. Hakuoki, de openingsfilm van het vorige Rotterdamse festival, lijkt een tamelijk traditioneel voorbeeld van "jidai-geki', de historische kostuumfilm, opgenomen in fraaie, verstilde Cinemascope-beelden. De zwaardgevechten tussen twee rivaliserende, ooit bevriende samoerai zijn ordentelijk geënsceneerd, maar veel meer valt er niet over te zeggen. Mori's gangsterfilm Aru koroshiya doet daarentegen realistisch aan, maar heeft een nogal doorsnee-verhaaltje, over het dubbelleven van een eenzame huurmoordenaar, die zich schuil houdt in een morsige locatie, verwant met het onderkomen van Jean-Pierre Léaud in Aki Kaurismäki's I Hired A Contract Killer.

De van Kawashima in de selectie opgenomen film heb ik niet gezien. Volgens de persinformatie wordt de regisseur vooral gezien als een bekwaam vakman, wiens losbandige leven en non-conformistisch gedrag aanleiding gaven tot vele anekdotes in de Japanse filmwereld. Suzaki Paradise zou zijn eigen favoriete film zijn: “De film is met name geprezen om de treffende sfeertekening van de hoerenbuurt; een kwaliteit die zonder meer samenhangt met zijn bekendheid met deze buurten”, zo leert ons de folder van International Art Film. In de literatuurwetenschap heet zulke kennis extra-textueel, geloof ik, en draagt als zodanig weinig bij tot een beter begrip van Kawashima's meesterschap.

Kennisname van een film van Suzuki, bij voorkeur Tokyo nagaremono, completeert niet alleen iemands kennis van de uithoeken van de filmhistorie, maar kan ook een redelijk aangename tijdspassering opleveren. Een bezoek aan de andere films uit dit B-meesterspakket lijkt eerder facultatief gesteld te kunnen worden.

De weg van het steeds verder uitkammen van de achterste hoekjes van de filmhistorie op zoek naar discutabele juweeltjes, lijkt met het vertrek van Marco Müller ook dood te zijn gelopen. Krijgt men er tijdens een festival al geen handen meer voor op elkaar, de filmhuizen weten er de rest van het jaar helemaal geen raad meer mee. Te verwachten valt dat onder de nieuwe directie het festival (en de filmhuisdistributeurs) een iets minder onverwachte, maar wel meer toegankelijke programmering een kans krijgt.