Sneeuwval Antarctica is sinds 1960 sterk toegenomen

De gemiddelde jaarlijkse sneeuwval in Antarctica is momenteel groter dan zij ooit in de afgelopen tweehonderd jaar is geweest.

Dat zeggen Australische glaciologen, die monsters van de zuidpoolkap hebben bestudeerd. Het doel van dit onderzoek was in eerste instantie het verkrijgen van een beter inzicht in de totale massa van de zuidpoolkap. Deze is niet goed bekend doordat nauwkeurige gevens ontbreken over zowel de hoeveelheid ijs die er jaarlijks door sneeuwval wordt gevormd als de hoeveelheid die er via smeltwater en ijsbergen in zee terugkeert. Aangezien de sneeuwval sterk kan variëren, maar de afvoer van het ijs niet, vormt de eerstgenoemde de grootste onzekerheidsfactor.

De onderzoekers leidden de jaarlijkse sneeuwval sinds 1806 af uit vier ijskernen langs een 700 km lang traject in Oost-Antarctica. Eerst werden de dikten van de jaarlaagjes in het ijs bepaald, op grond van jaarlijkse variaties in de verhouding tussen zuurstofisotopen, in het elektrische geleidingsvermogen, of in de concentratie waterstofperoxyde. Vervolgens werden deze ijsdikten omgerekend in jaarlijkse hoeveelheden sneeuw, rekening houdend met factoren als de verdichting van de sneeuw op grotere diepte en veranderingen als gevolg van de beweging van het ijs.

Uit de metingen blijkt dat de jaarlijkse sneeuwval sinds 1806 gemiddeld iets is toegenomen, hoewel er op tijdschalen van decennia grote variaties optreden. Deze variaties vertonen in de vier ijskernen hetzelfde patroon, wat er op wijst dat ze niet het gevolg zijn van lokale effecten maar op het gehele gebied betrekking hebben.

Na 1955 vonden er belangrijke veranderingen plaats in de sneeuwval: eerst een snelle afname tot een minimum rond 1960 en vervolgens een constante stijging tot aan het einde van de jaren tachtig. De sneeuwval was toen het hoogst sinds het begin van de gemeten periode en 20% hoger dan het gemiddelde van die periode.

De toegenomen sneeuwval in Oost-Antarctica hangt samen met een stijging van de gemiddelde luchttemperatuur sinds 1950, maar deze kan volgens de onderzoekers niet de oorzaak van de hogere sneeuwval zijn. Was dat wel zo, dan zou een temperatuurstijging van één graad 50% meer sneeuwval moeten veroorzaken, terwijl de huidige schattingen van het temperatuureffect op sneeuwval uiteenlopen van 3-4% bij mondiale klimaatmodellen tot 10% bij polaire modellen. De onderzoekers suggereren dat de hogere sneeuwval vooral het gevolg van een verhoogde cyclonale activiteit rond Antarctica, waardoor meer vochtige lucht wordt aangevoerd. Met deze sterkere cyclonale activiteit hangen dan ook de hogere temperaturen samen (Nature 354, p. 58).

Recente schattingen over de vorming en de verdwijning van ijs in Antarctica suggereren dat het om zo'n 2000 kubieke kilometer per jaar gaat. De jaarlijkse aanvoer is echter gemiddeld 5-25% groter dan de jaarlijkse afvoer, zodat de zuidpoolkap dikker wordt. De hiermee samenhangende daling van het mondiale zeeniveau zou 1,0-1,2 mm per jaar bedragen. De meeste gegevens waarop deze conclusie is gebaseerd werden verzameld na 1970, toen de sneeuwval sterk toenam. Dit zou betekenen dat de vorming en verdwijning van ijs in de periode vóór de recente toename vrijwel in evenwicht waren, dus dat de zuidpoolkap toen een constante dikte had.