Salvadoranen kunnen het nog niet geloven

Het vredesakkoord dat een einde moet maken aan bijna twaalf jaar burgeroorlog in El Salvador is een buitengewoon gecompliceerde regeling, die meer dan tachtig pagina's tekst omvat. Tot op het laatst toe is er aan de tekst van het akkoord gesleuteld. De op oudejaarsavond afgetreden secretaris-generaal van de Verenigde Naties, Javier Perez de Cuellar, die een belangrijke rol speelde bij de totstandkoming ervan, moest er zijn vakantie nog enkele uren voor uitstellen.

Als begin van de burgeroorlog wordt meestal de datum 15 oktober 1979 genoemd. Hervormingsgezinde legerofficieren en burgers brengen dan president Carlos Humberto Romero ten val, die door verkiezingsfraude in 1977 aan de macht was gekomen. De junta belooft democratie, nieuwe verkiezingen, politieke amnestie en sociale hervormingen en ze nodigt de guerrilla-organisaties uit tot politieke participatie. De strijd tussen leger en verzet duurt echter voort en de beloofde verkiezingen worden uitgesteld. De jonge officieren slagen er niet in zich te ontdoen van de ultra-nationalistische elementen in het leger, die nauwe banden onderhouden met de doodseskaders, die politieke opponenten uit de weg ruimen. Daarmee wordt een situatie gecontinueerd die steeds kermerkend was voor de verhoudingen in het land: de militairen, die de belangen beschermen van een klein aantal extreem rijke families, maken de dienst uit en bedienen zich daarbij van een nominaal door burgers geleide politieke partij.

Alleen al tussen 1980 en 1983 vinden naar schatting 20.000 mensen de dood door de activiteiten van deze eskaders. Onder de slachtoffers aartsbisschop Oscar Arnulfo Romero, die op 24 maart 1980 tijdens een mis in de kathedraal van San Salvador wordt neergeschoten.

In oktober 1980 sluiten de linkse guerilla-organisaties zich aaneen in het Farabundo Marti Nationaal Bevrijdingsfront (FMLN). Het front heeft de wind in de rug door de overwinning van de Sandinisten in het naburige Nicaragua en door het uiterst gewelddadige optreden van extreem rechts. De moord op vier Amerikaanse nonnen door leden van de Salvadoraanse Nationale Garde doet de junta geen goed. Begin 1980 ontketent het FMLN een grootscheeps offensief en weet grote delen van het platteland en voor korte tijd ook enkele steden in handen te krijgen.

Voor de Amerikaanse president Reagan is de burgeroorlog in El Salvador een strijd van het vrije Westen tegen het oprukkende communisme. “Wat we in El Salvador zien is een poging om de hele regio te destabiliseren en uiteindelijk chaos en anarchie te creëren aan de Amerikaanse grens”, aldus de president in maart 1984. Vier miljard dollar aan directe Amerikaanse steun ontvangt de Salvadoraanse regering uit Washington.

Regelmatig worden pogingen gedaan om door onderhandelingen een einde te maken aan de voortdurende strijd. Op 7 augustus 1987 bereiken de landen van Midden-Amerika een akkoord dat bekend is geworden als "Esquipulas II', waarin wordt opgeroepen tot beëinding van de vijandelijkheden, verkiezingen en demobilisatie van alle niet-reguliere strijdkrachten. Dit lijkt een keerpunt te zullen opleveren. Linkse politici als Ruben Zamora en Guillermo Ungo keren na zeven jaar ballingschap terug in hun land.

Als Alfredo Cristiani in maart 1989 tot president wordt gekozen, als opvolger van de christen-democraat José Napoleon Duarte, vrezen velen dat de strijd in alle hevigheid zal toenemen. Zijn ARENA-partij, het bolwerk van de gevreesde majoor D'Aubuisson, neemt een onverzoenlijke houding in tegenover het verzet. Cristiani zelf is bovendien lid van een van de families die vanouds het overgrote deel van de Salvadoraanse landbouwgronden bezitten. Toch is het deze Cristiani die in september 1989 een nieuwe poging doet met het FLMN contact te leggen. Aanvankelijk mislukken deze contacten. In november onderneemt de guerrillabeweging een nieuw offensief, waarbij grote delen van het land worden bezet. De strijd kost in enkele weken tweeduizend mensen het leven.

Op 16 november van dat jaar worden zes Jezuëten, hun huishoudster en haar 15-jarige dochter om het leven gebracht door het Salvadoraanse leger, een daad die voor grote verontwaardiging zorgt in de Verenigde Staten. De steun van de Verenigde Staten voor de regering van El Salvador stuit nu op steeds grotere weerstand in het Amerikaanse Congres.

Inmiddels verandert ook het internationale klimaat. De ineenstorting van het communisme begint zichtbaar te worden, de Sandinisten redden het niet in Nicaragua en de Cubaanse leider Fidel Castro wordt steeds meer op zichzelf teruggeworpen. De guerrillabeweging begint te beseffen dat ze niet in staat is de regering op de knieën te krijgen. Op 4 april 1990 tekenen regering en FLMN in Genève een akkoord waarbij ze de bemiddeling van de Verenigde Naties accepteren voor het totstandkomen van een vredesregeling.

Op 25 september 1991 tekenen beide partijen in New York een voorlopig akkoord waarin wordt opgeroepen tot het opzetten van een nieuwe politiemacht in het land, waardoor een einde moet komen aan de drie traditionele politie-organen die zich in het verleden steeds hebben schuldig gemaakt een grove schending van de mensenrechten. Er komt een Nationale Commissie voor de Versterking van de Vrede (COPAZ) en de Verenigde Naties gaan toezien op de naleving van de mensenrechten. De regering belooft verder zuivering van de strijdkrachten van extremistische elementen. Het nu gesloten akkoord biedt de strijders van het FLMN een aantal vrijplaatsen waar ze zich kunnen laten ontwapenen. Op 1 februari moet de wapenstilstand definitief zijn. Veel Salvadoranen kunnen het allemaal nog niet echt geloven.