ROME OF DE DOOD

Heilige Overtuigingen, geschiedenis en geloof. Themanummer van Skript, Historisch Tijdschrift. Winter 1991, jaargang 13, nummer 4.

Prijs ƒ 12,50. Jaarabonnement ƒ 27,50. ISSN 0165-7518. Redactie: Spuistraat 134, 1012 VB Amsterdam. Tel. 020-5254592.

Lutjebroek maakt zich op voor de herdenking van de 125ste sterfdag van zijn beroemdste inwoner, Pieter Jansz. Jong, die naar Italië trok om als vrijwilliger te vechten voor de in het nauw gedreven Paus Pius IX. De boerenzoon uit Lutjebroek sneuvelde in 1867 bij de slag om het Italiaanse stadje Monte Libretti, nadat hij met de kolf van zijn geweer dertien garibaldisten eigenhandig de schedel had ingeslagen. Daarmee had hij zich, naar hij mocht aannemen, een plaatsje in de hemel veroverd. Deze vrijwel vergeten geschiedenis wordt opgehaald in het winternummer van historisch tijdschrift Skript, dat ditmaal geheel gewijd is aan het verband tussen religie en politiek.

In 1860 deed de paus een oproep aan gelovige katholieken uit geheel Europa om militaire bijstand, nadat hij een groot deel van zijn grondgebied was kwijtgeraakt aan de oprukkende nationalisten onder leiding van Garibaldi. Toen ook Venetië in 1866 overstag ging, stond alleen de pauselijke staat de eenwording van Italië nog in de weg. Onder de leuze "Rome of de dood' trokken zo'n 10.000 katholieke vrijwilligers, onder wie een 3000 uit Nederland, naar Italië om de paus met hun eigen leven te verdedigen. Zij werden zouaven genoemd naar hun wijde broeken, overgenomen van een door Franse keurtroepen onderworpen Noordafrikaanse stam. De speld met het pauselijk wapen, die iedere zouaaf op zijn jasje droeg, werd gebruikt om het zundgat van het voorlaadgeweer door te steken. Het handboekje in hun knapzak bevatte een hele reeks aflaten die ze al bij voorbaat verdiend hadden.

In sommige kleine plaatsen zoals Oudenbosch en Geldrop wierven actieve pastoors veel zouaven. Soms gingen drie broers uit een gezin. De ene dag stonden ze op het veld aardappels te rooien, de volgende dag kwamen ze op het idee om zouaaf te worden. ""Ze dachten echt dat ze door voor de paus te vechten de hemel konden verdienen. De zaak van de paus was de zaak van God'', zo tekent de redactie van Skript op uit de mond van mevrouw J. Gommers, beheerder van een klein zouavenmuseum in Oudenbosch. Hier liggen ansichtkaarten uit Rome en foto's van zouaven in vol ornaat, vaak gemaakt op aandrang van de trotse ouders. Brieven en dagboekfragmenten getuigen van de grote verering voor Zijne Heiligheid Pio Nono en de bereidheid om voor hem te sterven.

Door vrijwilliger te worden konden deze katholieke jongens zich bewijzen tegenover een grotendeels protestantse buitenwerdeld en voor velen was dit waarschijnlijk de enige kans om iets van de wereld te zien. De meesten waren arm en ongeletterd. Slechts enkelen beheersten het Frans, de commandotaal in het zouavenleger en vrijwel niemand sprak Italiaans. In Oudenbosch, de uitvalsbasis, kregen de jongens van pater Hellemons een biechtspiegel mee, een briefje waarop ze de meest voorkomende zonden in drie talen, Nederlands, Frans en Italiaans, konden aanwijzen tijdens de biecht.

Aangezien er afgezien van twee veldslagen in 1867 eigenlijk weinig viel te vechten, werden de zouaven ook ingezet bij brugerlijke taken zoals de bestrijding van de cholera, die onder hun eigen gelederen meer slachtoffers eiste dan het oorlogsgeweld. Toen in 1870 de Frans-Duitse oorlog uitbrak en de Franse hulptroepen zich uit Italië terugtrokken, volgde een korte belegering van Rome, waarna de pauselijke staat ophield te bestaan en de overlevende zouaven berooid naar hun vaderland terugkeerden. In Lutjebroek maakt de banketbakker een speculaaspop naar het model van Jan Pietersz. Jong.

Dit themanummer van Skript zit, ook journalistiek gezien, ijzersterk in elkaar en het ziet er - afgezien van twee verwisselde paginaatjes - puntgaaf verzorgd uit. Gastauteurs, zonder uitzondering Amsterdamse historici en merendeels pas afgestudeerd, trekken alle registers open. Van de Griekse Kronosmythe via middeleeuwse heksen tot de Indische hadji, de uit Mekka teruggekeerde pelgrim in wie best eens een politieke onruststoker zou kunnen schuilen. Op het Arabisch schiereiland tracht het Huis Saoed met een heilige alliantie zijn regeringsmacht te legitimeren. Op Haïti vond de Voodoo-religie zijn oorsprong in het vrijheidsstreven van weggelopen zwarte plantageslaven om later juist een machtsinstrument te worden in handen van de regering-Duvalier. Een eigentijds voorbeeld van verstrengeling van politiek en religie is het geval-Oliver North, de Amerikaanse kolonel die door de rechter werd vrijgesproken in het contraschandaal en vervolgens voor de camera's op de knieën zonk om God te danken. Verder in dit nummer ondermeer een interview met de Engelse feministische historica Marina Warner (""Jezus is interessant en problematisch, omdat hij sterk gefeminiseerd is'') en een prachtig verhaal over de kerstening van de Zuidamerikaanse Indianen. Het schetst de ontgoocheling van de Spaanse geestelijkheid, toen eind zestiende eeuw het besef doordrong dat hun strijd tegen de duivel toch niet helemaal goed was uitgepakt. De nieuw geïntroduceerde katholieke heiligen werden door de Indianen gewoon bijgezet in hun pantheon van antropomorfe godheden. Niet alleen mensen, maar ook dieren en dingen werd het nieuwe concept van de ziel toegedacht. Bronnen en heuvels bleven heilige plaatsen, pre-Spaanse goden behielden hun plaats. Zo heeft het pre-columbiaanse geloof de kerstening in feite overleefd tot op de dag van vandaag.