RET en GVB willen nauwer samenwerken

AMSTERDAM, 2 JAN. Het Amsterdamse Gemeentevervoerbedrijf (GVB) en de Rotterdamse Elektrische Tram (RET) zullen deze maand een werkgroep vormen om de mogelijkheden tot nauwere samenwerking van de beide vervoersbedrijven te onderzoeken.

Het Haagse vervoerbedrijf HTM is gevraagd deel te nemen aan het onderzoek. Voor de zomer van 1992 moeten de resultaten bekend zijn. Dit hebben de directeuren van het GVB en de RET vanmorgen in hun nieuwjaarstoespraak bekendgemaakt.

De vervoersbedrijven verwachten dat samenwerking op financieel en technisch gebied en bij de exploitatie en produktontwikkeling zowel voor passagiers als voor de bedrijven voordeel zal opleveren.

Bovendien kan, volgens de Amsterdamse directeur B. Smit, samenwerking de marktpositie van de vervoerbedrijven verbeteren en hun positie ten opzichte van het rijk verstevigen. “We moeten onze invloed vooral in de nationale discussies over het openbaar vervoer en de rijksbesluitvorming vergroten”, aldus Smit.

Hij doelde daarbij vooral op de discussie over het zogenoemde "randstadrail'-plan. Volgens dat plan zou het stadsvervoer in de randstad niet zoals nu moeten eindigen aan de stadsgrenzen of in de randgemeenten, maar een netwerk door de hele regio moeten vormen. De samenwerking, die op basis van gelijkwaardigheid zal plaatshebben, mag niet ten koste gaan van de ontwikkeling van de regionale samenwerking, zeggen de beide directeuren.

In 1990 kreeg minister Maij-Weggen van verkeer en waterstaat een rapport aangeboden waarin een regionale aanpak van het vervoer werd bepleit, in plaats van gescheiden stads- en streekvervoer.

Volgens Smit heeft de regionale samenwerking tussen de Nederlandse Spoorwegen, het GVB en de streekvervoerbedrijven NZH, CN en VAD “meer gestalte gekregen”. De verschillende bedrijven, zo zei Smit, werken aan een vervoersplan voor de regio.

Directeur J. Kunst van de RET legde er de nadruk op dat de meeste werknemers van zijn bedrijf “voorlopig weinig zullen merken” van de samenwerking.