Rembrandt en Lievens

Op de kunstpagina van NRC Handelsblad van 24 december schrijft Roelof van Gelder over het talentvol duo Lievens en Rembrandt in hun jonge jaren in Leiden, naar aanleiding van de tentoonstelling in de Leidse Lakenhal.

De inrichting van deze tentoonstelling "Rembrandt en Lievens in Leiden' heeft mij minder gehinderd dan Van Gelder die, naar hij schrijft, door “al die panelen, schotjes, sokkels, bordjes in verschillende tinten groen en roze” afgeleid werd van de kunstwerken zelf. Dat blijkt dan in ieder geval uit wat Van Gelder schrijft over de apotheose van de tentoonstelling namelijk de twee kruisingen uit 1631. Hij noteert: “In formaat en beeldtraditie zijn ze hetzelfde, maar Lievens schilderde een berustende Christus, Rembrandt een dramatisch opstandige Christus.”

Van Gelder heeft zich door het bijschrift bij de Kruisiging door Lievens laten afleiden van de werken zelf. De tekst op het bordje luidt: “Net als Rembrandt geeft Lievens Christus weer op het moment dat hij God aanroept, vlak voor hij sterft. De houding van Rembrandt benadrukt zijn lichamelijke en geestelijke nood. De Christus figuur van Lievens maakt door zijn symmetrie een rustige en gelaten indruk.” Inderdaad, de verschillen zijn duidelijk, maar de verklaring ervan is noch door de auteur van de tekst van het bordje, noch voor Van Gelder op de schilderstukken zelf waargenomen. De Christus van Rembrandt is die van Matth. 27 vs.46 (en vs.50): “Omtrent het negende uur riep Jezus met luider stemme: Eli, Eli, lamma sabaktani; dat is: Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij mij verlaten?” We zien de geopende mond, het pijnlijk vertrokken gelaat, de fronsen in het voorhoofd, een beeld van ontzettende smart en verlatenheid. Rembrandt concentreert de volle aandacht op het hoofd; het lichaam zelf is vlak, in vale kleur geschilderd. De Christus die Lievens voor ogen stond, was een geheel andere. Niet de Christus die God aanroept vlak voor Hij sterft; niet de berustende Christus zoals Van Gelder schrijft, maar de Christus van Joh. 19 vs. 33 en 34. Namelijk de Christus die reeds gestorven is en bij wie de Romeinse soldaat Longinus, ter bevestiging van de dood, de zijde met z'n lans heeft doorstoken; “en terstond vloeide er bloed uit en water”. Zoals te verwachten na het intreden van de dood is het gelaat tot rust gekomen; de trekken zijn ontspannen; pijn, lijden en ontzetting zijn geweken. De zeer geprononceerd aangebrachte stroom van bloed en water uit Christus' zijdewonde bewijst Lievens' opvatting.