Radio's kopen we om hun uiterlijk

Met de jaarwisseling heeft de Amerikaan Bob Blaich (61) afscheid genomen als directeur Corporate Industrial Design bij Philips. “Op het gebied van design kan Philips het nu tegen Japan opnemen.”

Philips, a study of the corporate management of design, door John Heskett. Uitg Trefoil publications, Londen, 162 blz. Prijs ƒ 110,-

Achter Bob Blaichs bureau staan op glazen planken diverse voorwerpen die te zamen zijn jaren in Nederland samenvatten: een miniatuur Rood-blauwe Rietveld-stoel, twee van de nieuwste mini-tv'tjes, een oorkonde die hem tot "Ambassadeur' uitroept van de Kring Industriële Ontwerpers en een rij kleine relatiegeschenken. Zonder woorden, maar met zichtbaar afgrijzen legt hij naast de strakke, fraaie horloges die Sony en Braun aan geprivilegieerden uitdelen, een lelijk kunststoffen geval met daarop in oplichtend groen het woord Halogen. Dit was een tijdlang het Philips-geschenk. Met gevoel voor understatement zegt Blaich: “Misschien heeft Philips iets te veel tijd nodig gehad om het belang van design te onderkennen.” Inmiddels is het horloge door een kek reiswekkertje vervangen.

Voor Blaichs doen is dit al een uitzonderlijk kritisch geluid tegen de multinational waar hij als designmanager de afgelopen twaalf jaar heeft gewerkt. Zijn afdeling Corporatie Industrial Design (CID) heeft mede het ontwerp, de grafische vormgeving en de verpakking bepaald van alles wat Philips maakt, van tv's, muziekapparatuur, huishoudelijke apparaten en verlichting tot en met telecommunicatie, computers en wetenschappelijke en industriële apparatuur.

Nu, twee jaar later dan voorzien, neemt Blaich afscheid; na lang zoeken is zijn opvolger van binnen de Philips-gelederen gekozen, de 41-jarige Italiaan Stefano Marzano. Blaich en zijn vrouw Janet, met wie hij nu een boek over design aan het schrijven is, gaan zich vestigen in Aspen, Colorado, van waaruit hij als consulent aan Philips verbonden blijft. Bij zijn vertrek is hij - als tweede buitenlander - onderscheiden tot Ridder in de Orde van Oranje Nassau.

Ruim twintig jaar had Blaich bij de Amerikaanse meubelfabrikant Herman Miller gewerkt, een bedrijf dat nog altijd bekend staat om zijn samenwerking met ontwerpers. In 1979 richtte hij een eigen adviesbureau op, Connectives, maar in 1980 wist Wisse Dekker hem naar Eindhoven te halen. Menigeen dacht dat het zelfs Blaich niet zou lukken het solide maar logge Philips designbewust te maken. “Philips had wel een designtraditie,” zegt hij nu, “maar het imago van het bedrijf was nogal grijs. Om daarin verandering te kunnen brengen stelde ik de voorwaarde, dat ik als design-manager evenveel zeggenschap kreeg als de directeuren van de verschillende divisies. De designafdeling rapporteert nu rechtstreeks aan de Raad van Bestuur.

“Toen ik hier kwam hadden veel getalenteerd mensen het bedrijf verlaten. De gemiddelde leeftijd was 45 en er werkten helemaal geen vrouwen. Nu is de gemiddelde leeftijd 32 en er werken 26 vrouwen. Er is ook veel nieuw talent gekomen van de Royal College of Art in Londen, de Amerikaanse kunstacademie Cranbrook in Michigan en de TU's in Delft en Eindhoven.” Philips zelf heeft fabrieken in 45 landen; het CID heeft nu dependances op 22 plaatsen over de hele wereld waar 220 mensen van 27 nationaliteiten werken. “Dit is de meest internationale designorganisatie van welk bedrijf ook ter wereld,” verklaart Blaich zonder aarzeling.

Onlangs is in het Vitra Museum in Bazel de nieuwste lijn in elektronica gepresenteerd, The Collection, naar een idee van Blaich en Jan Timmer, toen nog divisiehoofd consumer electronics. Hiertoe behoren niet alleen een HD-tv, maar ook een mini-tv en een draadloze koptelefoon. Ondanks de wervelende presentatie wordt aan de kansen van The Collection getwijfeld: het Engelse blad Design schreef in september dat de timing niet slechter had gekund: Timmer had kort daarvoor operatie Centurion aangekondigd, waarbij een op de vijf banen moet verdwijnen. Evenmin zou de vormgeving Japan op zijn grondvesten doen beven. Daar is Blaich het stellig niet mee eens: “Onze produkten kunnen zich nu meten met de voorhoede van design uit Italië en Japan. De Japanners beschouwen Philips als het enige grote bedrijf dat hen op designgebied kan beconcurreren.”

Een ander project dat Blaich in gang heeft gezet, moet eind dit jaar zijn beslag krijgen: de herinrichting van de Evoluon tot een besloten Philips Center of Competence, met trainingen, congressen en een permanente expositie over de geschiedenis van het bedrijf, dat dit voorjaar - stilletjes, vanwege de bezuinigingen - zijn eeuwfeest vierde.

Niet alleen het personeelsbestand van CID is verjongd, maar ook, zegt Blaich, het Philips-publiek. Dank zij de introductie van een aantal swingend vormgegeven produkten als de Roller Radio telt deze merknaam nu volgens Blaich mee bij jongeren. Op de beurs voor industriële vormgeving in Hannover werden zeventien Philips-produkten met de Gute Form-prijzen onderscheiden. “Ik ben ervan overtuigd dat de beslissing van de consument over welk produkt hij zal kopen, voor negentig procent door het uiterlijk wordt bepaald. Je gaat ervan uit dat de techniek aan de binnenkant goed zal zijn. Je koopt een merk, en het merk s het uiterlijk. Het produkt is het belangrijkste statement dat een bedrijf over zijn imago kan maken. Het s het imago.” Toch speelt design bij Philips een andere rol dan bij bij voorbeeld Braun of Bang & Olufsen: “Daar is design de bedrijfsstrategie, terwijl bij ons vormgeving een van de onderdelen is.”

Hoewel Blaich zich niet met "interne Nederlandse aangelegenheden' wil bemoeien - hij spreekt zelfs maar een paar woorden Nederlands - staat het voor hem vast dat een Vormgevingsinstituut in Nederland een gezamenlijk initiatief van cultuur en economie zou moeten zijn. “Dat hoeft geen instituut te zijn, het kan gewoon een kantoor zijn dat met overheidssteun als verzamelpunt dient voor netwerken van informatie en voor het organiseren van reizende tentoonstellingen.” Nederland heeft vooral een traditie op het gebied van grafische vormgeving, zegt Blaich, maar op het gebied van de industriële vormgeving zijn er haast geen produkten die aanwijsbaar Nederlands zijn.

Dat producenten van consumptiegoederen het begin jaren negentig moeilijk hebben, zal Blaich niet ontkennen. “Over de hele wereld is er stagnatie: meer concurrentie en minder groei. Sommige Japanse bedrijven zien hun winst dalen met dertig tot veertig procent. Voor mijn opvolger staat daar tegenover, dat de steun voor design bij Philips niet daarom minder is geworden, integendeel. Van het belang van een goed en aantrekkelijk ontwerp hoef je hier niemand te overtuigen.”