Overal in Oost-Europa zijn de vooruitzichten uiterst somber

Hoe ook de historici over Gorbatsjov zullen oordelen - niemand van hen zal kunnen ontkennen dat de Sovjet-leider zich te lang heeft vastgeklampt aan de illusie dat de communistische partij zou kunnen worden verzoend met het aantasten van nagenoeg alle oude dogma's. Ook staat onomstotelijk vast dat hij de explosieve kracht van het nationalisme in zijn rijk veel te laat heeft onderkend en nog lange tijd heeft onderschat.

Jeltsin heeft veel eerder ingezien dat het door Gorbatsjov begonnen proces van perestrojka en glasnost een lawine zou veroorzaken die de communistische partij zou verpletteren. Eenmaal president van de Russische Federatie geworden, zocht hij toenadering tot de nationale bewegingen in de andere republieken. Voor zijn rivaal Gorbatsjov betekende dat een fatale doorkruising van diens pogingen om met behulp van een nieuw unieverdrag althans nog een bescheiden federaal gezag in stand te houden.

Voor de moed en doortastendheid die Jeltsin aan de dag legde in de dagen van de coup kan men alleen maar bewondering hebben. Maar terwijl Gorbatsjov bij zijn Westelijke gesprekspartners vertrouwen wist te wekken, slaan zij Jeltsin met een zekere argwaan gade, ook al proberen zij goede betrekkingen met hem aan te knopen. Voor die argwaan zijn ook bepaald wel redenen. Hij heeft de wereld zo vaak verrast met onverwachte stappen dat hij een reputatie van onberekenbaarheid heeft gekregen. En hoewel hij niet de enige communistische partijbons is die zich tot de democratische beginselen heeft bekeerd, kost het hem kennelijk meer moeite dan anderen (bijvoorbeeld Sjevardnadze) de voorliefde van deze functionarissen voor eigen autoritair optreden te onderdrukken. Ook heeft de onnodig vernederende wijze waarop hij Gorbatsjov tijdens zijn laatste dagen als president heeft behandeld, weerzin gewekt.

Door het initiatief te nemen tot het uitroepen van een Gemenebest van onafhankelijke staten heeft Jeltsin wel bereikt dat aan het door Gorbatsjov gepersonifieerde centrale gezag in Moskou een einde is gekomen, maar voorshands ziet het er naar uit dat de vrees van Gorbatsjov wordt bewaarheid en dat dientengevolge de chaos in de voormalige Sovjet-Unie alleen maar wordt vergroot. Op de bijeenkomst van de staatshoofden van de elf republieken in Minsk op 30 december waren de deelnemers er kennelijk meer op uit de pas verworven soevereiniteit veilig te stellen dan nieuwe vormen van samenwerking op te bouwen. Op papier is overeenstemming bereikt betreffende een centraal gezag over de Sovjet-kernwapens maar of dit ook werkelijk effectief kan worden uitgeoefend, blijft onduidelijk. De Oekraïne, Azerbajdzjan en Moldavië wensen een eigen conventionele strijdmacht te vormen. En hoewel de elf republieken hebben besloten gezamenlijk één economische ruimte te blijven vormen, lijkt er nauwelijks een begin te zijn gemaakt met het opstellen van een gezamenlijk beleidsplan om de catastrofale economische situatie het hoofd te bieden. Op institutioneel gebied is er weinig meer dan de afspraak dat staatshoofden, minister-presidenten en vakministers elkaar op gezette tijden zullen ontmoeten. Hoewel Jeltsin zijn best deed om de gelijkwaardigheid van de elf republieken te onderstrepen, is het duidelijk dat de vrees voor een hegemoniale rol van de Russische Federatie, die qua bevolkingstal, oppervlak en economisch potentieel ver boven de andere republieken uitsteekt, de pogingen in de weg zal staan om aan de samenwerking binnen het Gemenebest meer inhoud te geven.

Economisch zijn de elf republieken zozeer op elkaar aangewezen dat zij als het ware tot samenwerking zijn veroordeeld. Hierin ligt de voornaamste hoop dat de staatshoofden van het Gemenebest uiteindelijk elkaar zullen weten te vinden. Maar anderzijds is reeds vaak gebleken dat nationalistische hartstochten oplossingen in de weg staan die rationeel geredeneerd geboden lijken.

Het meest rooskleurige scenario dat men zich kan voorstellen is dat de elf republieken uiteindelijk het behoud weten veilig te stellen van wat de landen van de Europese Gemeenschap met de EMU en de EPU hopen te bereiken. Maar voedselgebrek, uit de hand lopende prijzen en de frustraties van vele duizenden beroepsofficieren kunnen ertoe leiden dat de herhaaldelijk door Sjevardnadze uitgesproken vrees bewaarheid wordt en dat nieuwe vormen van dictatuur ontstaan. Het is een veeg teken dat een extreem nationalistische en kennelijk met fascistische ideeën sympathiserende figuur, Zhirinovsky, bij de Russische presidentsverkiezingen van juni 1991 zes miljoen stemmen op zich wist te verenigen. Een ander denkbaar scenario is dat Jeltsin om zijn als gevolg van de nu ingegane prijsstijgingen aangetaste populariteit te herstellen, een meer nationalistische koers zal gaan varen. Dit zou het gevaar van botsingen, zelfs gewelddadige botsingen, met de andere republieken aanzienlijk kunnen vergroten.

Voorshands lijken de kansen op een voortduren van chaos en desintegratie in de voormalige Sovjet-Unie groter dan die op het tot ontwikkeling komen van hechte vormen van militaire en economische samenwerking binnen het nieuwe Gemenebest. Ook elders in Oost-Europa is het beeld uitermate somber. De pogingen om de burgeroorlog in Joegoslavië tot een einde te brengen blijken telkenmale tot mislukking gedoemd. In Roemenië is nog steeds sprake van een instabiele situatie.

Zozeer is in de afgelopen tijd de belangstelling gericht geweest op de dramatische ontwikkelingen in Oost-Europa, dat relatief weinig aandacht is gegeven aan de drie Middeneuropese landen, Polen, Tsjechoslowakije en Hongarije. Ten onrechte. Deze landen hebben meer vorderingen gemaakt met het opbouwen van nieuwe democratische instellingen en het invoeren van noodzakelijke economische hervormingen dan de overige staten in het voormalig Oostblok. Maar dat betekent geenszins dat zij uit de gevarenzone zijn. Omschakeling naar een markteconomie is onontbeerlijk om de grondslag te leggen voor economisch herstel na tientallen jaren van communistisch wanbeheer, maar voordat de vruchten van deze overgang naar een beter werkend economisch systeem kunnen worden geplukt, moeten in de overgangsperiode de lasten van een grotere werkloosheid en een dalend welvaartspeil worden gedragen. Bovendien heeft de ineenstorting van de Sovjet-economie deze landen, met hun sterke oriëntatie op de grote handelspartner in het Oosten, bijzonder zwaar getroffen.

Dit alles komt des te harder aan omdat na de ineenstorting van de communistische regimes in 1989 de verwachtingen hoog gespannen waren. Men verwachtte dat de democratische regimes naast vrijheid ook een groeiende welvaart, ja zelfs wellicht een geleidelijke aansluiting bij het Westeuropese welvaartspeil zouden kunnen verzekeren. Thans slaan teleurstelling en frustratie toe. Zo bleek bij de jongste verkiezingen in Polen nauwelijks de helft van de bevolking de moeite te nemen naar de stembus te gaan en was eerder was bij de presidentsverkiezingen gebleken dat de avonturier Tyminski meer stemmen kreeg dan de integere premier die het land door de eerste post-communistische periode had geleid.

Ook in Tsjechoslowakije en Hongarije neemt de teleurstelling over de tot dusver door de nieuwe democratische regimes bereikte resultaten sterk toe, waardoor politieke apathie in de hand wordt gewerkt. Dit is des te bedenkelijker omdat de tussen de Gemeenschap en Polen, Hongarije en Tsjechoslowakije gesloten associatie-akkoorden weliswaar produkten uit deze landen wat betere afzetmogelijkheden bieden, maar geenszins het perspectief openen van een duidelijk economisch herstel. De democratische regimes in de Middeneuropese landen hebben grote moeite het hoofd boven water te houden. De inspanning die nodig is om de achterstand in te lopen die tijdens het communistische bestuur was ontstaan, is immens. Hoe zwaar dit moet vallen, kan worden geïllustreerd door het feit dat zelfs Duitsland, met de sterkste economie in Europa, zich bijkans vertilt aan de inspanningen die nodig zijn om het gebied van de voormalige DDR er weer bovenop te helpen.

De nieuwe regimes in Midden-Europa dreigen te bezwijken onder de lasten die ze hebben te dragen. Ze hebben meer steun van buiten nodig. Maar de kansen daarop lijken niet gunstig. In Maastricht zagen de regeringsleiders van de landen van de Europese Gemeenschap zich genoodzaakt in te stemmen met een nieuw solidariteitsfonds voor de zuidelijke lidstaten. Dit betekent vrijwel onvermijdelijk dat minder middelen ter beschikking zullen staan voor een vergroting van de inspanning ten behoeve van Midden-Europa, en dit ondanks het feit dat de landen daar er slechter aan toe zijn dan de armste lidstaten van de Gemeenschap. De verwachting dat ook de uit de voormalige Sovjet-Unie voortgekomen nieuwe staten verdere hulpinspanningen zullen vergen, doet ook afbreuk aan de bereidheid om voor Midden-Europa extra middelen ter beschikking te stellen.

Het zou onverantwoord zijn de volkeren van de voormalige Sovjet-Unie geen voedselhulp te bieden of Westelijke deskundigheid te onthouden. Maar anderzijds is het ook duidelijk dat een eerste voorwaarde voor economisch herstel is dat de republieken tot nieuwe vormen van samenwerking komen en overeenstemming bereiken over de grondslagen van het economisch hervormingsbeleid. Zolang dit uitblijft zullen tal van vormen van Westelijke hulpverlening nauwelijks effectief kunnen zijn. Zolang de chaos in de voormalige Sovjet-Unie voortduurt, lijkt elke dollar of ECU die voor hulpverlening aan Midden-Europa wordt gereserveerd een veel hoger rendement te kunnen opleveren.

De democratische regimes van Midden-Europa, die wij bij hun geboorte in 1989 met zoveel applaus hebben begroet, kunnen het alleen bolwerken als de betrokken volken een gunstiger perspectief wordt geboden in de vorm van grotere Westelijke hulpverlening en de toezegging van uiteindelijk lidmaatschap van de Europese Gemeenschap. Terecht is er vaak op gewezen dat dit als een morele plicht moet worden beschouwd. Maar bovendien wordt daarmee het eigenbelang van West-Europa gediend. Allerwege worden zorgen geuit over de destabiliserende effecten van de ontwikkelingen in de Sovjet-Unie en Joegoslavië. Is er dan niet alle reden om, meer dan tot dusver het geval was, aandacht te geven aan maatregelen die het behoud van de stabiliteit in Midden-Europa kunnen verzekeren?