Over inputs en drop-outs

Economie en onderwijs hebben heel wat raakpunten. Het onderwijs beïnvloedt de economie. Het feit dat mensen onderwijs genieten, zich laten scholen, bepaalt voor een deel hoe een land meedraait in de vaart der volkeren. Als burger consumeer je onderwijs net zoals je een concert of een wintersportvakantie consumeert. Het is een dienst die soms tegen een marktprijs (skiles) en een andere keer weer flink gesubsidieerd (de lessen-college's in ons publieke onderwijssysteem) wordt aangeboden. Ook als werknemer onderga je heel wat scholing, binnen en rondom de onderneming. Daarbij komt het onderwijs al meer als een investering naar voren. Een investering in de produktiefactor arbeid, waarbij men het dan ook over "human capital' heeft.

Andersom komt er bij onderwijs heel wat economie kijken. Je kunt een leerproces gewoon als een produktieproces opvatten. Er zijn gebouwen: scholen, universiteiten, kantoren. Er zijn werknemers: de docenten en het niet-onderwijsgevend personeel. Er is vermogen beschikbaar, dat voor een deel is geïnvesteerd in de gebouwen. En er is geld dat dient om de exploitatie te bekostigen: rente over het geïnvesteerd vermogen, kosten van onderhoud en reparatie, kosten van materialen en salarissen van de werknemers.

Een deel van de scholing heeft plaats in particuliere commercieel werkende instituten: dans-, rij- en gitaarles, type-, talen en informatica-cursussen. Daarnaast is er het publieke onderwijsbestel dat, afgezien van bescheiden bijdragen van een deel van de genieters, door de gemeenschap wordt betaald. Om het publieke onderwijs draaiende te houden en om er voor te zorgen dat de burger waarvoor zijn geld krijgt is een ministerie van onderwijs en wetenschappen, is er een onderwijs-inspectie, zijn er begeleiders, leerplan- en toets-ontwikkelaars en zijn er honderden commissies en organen die elkaar notities sturen.

Dit hele apparaat staat klaar om aan de "inputs', de binnenstromende grondstof waarde toe te voegen. Die grondstof, dat zijn onbevangen vier- vijf-jarige kleuters, die nietsvermoedend hun twintigjarige schoolcarrière binnenstappen. Vaak huilen ze als ze binnenkomen en achteraf blijkt nogal eens dat ze geen ongelijk hadden. Van de "outputs' van het leerproces wordt verwacht dat ze uiteindelijk zodanig geschoold zijn dat ze zich in de maatschappij staande kunnen houden en liefst nog wat meer dan dat. Ze worden ingeschakeld bij de produktie van wintersportvakanties, danslessen, lessen Grieks, putdeksels, blinde-darmoperaties en weersatellieten. Ze verdienen een salaris waarvan een deel terugstroomt naar de publieke sector, die daarvan onder andere weer onderwijs en wetenschap betaalt.

Bij elk proces waar "inputs' worden omgevormd in "outputs' kun je het hebben over het rendement van die operatie. Hoe staat het met de doelmatigheid? Is er veel verspilling? Wat komt er uit in verhouding tot wat er in wordt gestopt? Daarover kunnen heel ingewikkelde berekeningen gemaakt worden, maar laten we ons hier beperken. We laten het bij een oppervlakkige blik op de hoeveelheid uitvallers ("drop-outs') in ons secundair en hoger onderwijs. De gegevens ontlenen we aan staatssecretaris Wallage. Die publiceerde een tijdje terug een plan om het secundair onderwijs weer eens geheel anders in te richten. De Tweede Fase nota, waarin havo voor hoger beroepsonderwijs (hbo) opleidt en vwo voor wetenschappelijk onderwijs. En waarin geen vrije vakkenkeuze meer bestaat (met de mogelijkheid pretpakketten te kiezen) maar waarin vier hoofdrichtingen zijn vastgesteld, die doorstroomprofielen moeten heten. De staatssecretaris motiveert deze ingreep door er onder andere op te wijzen dat: veertig procent van de leerlingen-studenten voortijdig het onderwijs verlaat: ofwel ze hebben geen diploma of ze kiezen na het havo- of vwo-examen geen vervolgopleiding. Leerlingen blijven verontrustend veel zitten in de bovenbouw. Men volgt ondoelmatige leeromwegen: 25 procent van de leerlingen gaat na het behalen van het havo-diploma naar het middelbaar beroepsonderwijs (mbo). Terwijl je uit 3-havo al naar het mbo kunt overstappen. Van de havo-leerlingen zakt twintig procent voor het eindexamen. De uitvalpercentages bij universiteit en hbo zijn schrikbarend hoog.

De staatssecretaris roert ook wat oorzaken aan: niet meer dan de helft van de basisscholen gebruikt de CITO-toets, die overigens niet meer dan een adviesfunctie heeft. Behalve de CITO-toets geldt ook nog het advies van de basisschool, maar dit wordt door dertig procent van de ouders genegeerd. Die ouders immers willen hun kind zo hoog mogelijk geplaatst zien; "terug kan altijd nog.'

Behalve de verspilling van gemeenschapsgeld zijn er de frustraties: bij de leerling die niet meekomt in de klas omdat hij of zij boven zijn of haar niveau moet werken; bij de ouders van de leerling omdat Keesje of Saskiaatje het niet goed doet; bij de docenten omdat er leerlingen in de klas zitten die er niet horen. Het niveau in de klas wordt omlaag getrokken. Als er voldoende slechte en zwakke leerlingen in een klas zitten, gaat het met de goede ook niet best. De sfeer wordt dan zo, dat aan presteren een luchtje zit. Op het hockey- en voetbalveld en op de tennisbaan zijn de beste gewoon de beste, competitie is prima. Maar binnen de muren van de klas wordt er nogal eens op neergekeken.

Er is dus alle aanleiding om ervoor te zorgen dat de "grondstof' leerling op de juiste plek in het leerproces terecht komt. En het is duidelijk dat dit met de huidige advisering en begeleiding onvoldoende gebeurt.

De staatssecretaris wil nu de CITO-toets een beter voorspellend karakter geven; hij wil na de tweede klas de leerling een advies geven wat het beste vervolg is; hij wil aan het eind van het derde jaar een advies geven bij de keuze havo of vwo. Al je dit zo leest dan dringt de volgende gedachte zich onvermijdelijk op. Zou al dat geadviseer wel helpen? Mag het niet wat minder "soft'? Zou je - gegeven de mislukking van de huidige benadering - niet weer eens moeten denken aan toelatingsexamens om voor elk leerproces de juiste "inputs' aan de start te krijgen? De bezwaren daarvan (momentopname, stress, te vroeg keuzemoment, enzovoort) zijn bekend. Ze zouden eens systematisch tegenover die van de tegenwoordige aanpak gezet moeten worden.

"Leerlingen zijn geen vruchten die precies in het (glazen) potje vallen dat in de fabriek voor hen klaar staat', schrijft staatssecretaris Wallage in zijn Tweede Fase nota. Akkoord, maar de hoeveelheden die in het doordraai-systeem van nu naast het potje blijken te vallen, vragen om veel doortastender maatregelen.