"Niets is zo vervelend voor leraren als pientere leerlingen die slechte cijfers halen'

"Dat heb je nu eenmaal met begaafde leerlingen', zegt Dick van Hennik, rector van de Dalton Scholengemeenschap in Voorburg.

"Ze kunnen alles goed en dan is het soms moeilijk om te kiezen.' De vijf leerlingen die meedoen aan het dalton-plusproject hebben net de rectorskamer verlaten. Arlette (14, 3 gymnasium) zal voorlopig niet meer meedoen aan het project want ze heeft een rol gekregen in de musical. "Ik had voor de lol meegedaan aan de auditie', vertelt ze een beetje lacherig, "maar ik dacht dat ze me veel te klein zouden vinden, want die musical gaat over twintigjarigen'.

Onlangs kreeg de Dalton Scholengemeenschap van het ministerie van onderwijs geld toegezegd om voor begaafde leerlingen iets extra's te doen. Het dalton-plusproject, dat voor deze groep kinderen is bedoeld en tot nu toe op bescheiden schaal door de rector zelf werd uitgevoerd, kan daardoor breder van opzet worden.

Van Hennik trekt zich al enige jaren het lot van de meer dan gemiddeld begaafde leerling aan. Dat is tamelijk uniek, want in het voortgezet onderwijs is hoogbegaafdheid een weinig besproken onderwerp. Stuur die slimmerikken maar naar het atheneum of het gymnasium en laat ze een zo zwaar mogelijk pakket kiezen, is de meest gehoorde oplossing. Moeilijker hebben we niet. Dat sommige scholieren zich ook dan nog vervelen wordt lang niet altijd onderkend.

"Verspilling van talent', vindt Dick van Hennik, en dat niet alleen: "Ze zitten te klieren in de les of doen hun huiswerk niet meer, waardoor ze aan het eind van het jaar in de problemen komen en soms zelfs blijven zitten'. Hij kent ze in alle verschijningen: de onderpresteerder, de seizoenwerker, de lethargische leerling, de klojo die de hele klas meesleept, maar ook de leerling die in tien minuten klaar is met zijn huiswerk en toch negens haalt. "Als het jaarklassensysteem de begaafde leerling de mogelijkheid biedt om zo nu en dan te werken, dan moge duidelijk zijn dat er energie over is', schreef hij in een nota aan zijn collega's.

De collega's gunnen hem zijn "hobby', maar Van Hennik geeft het toe, hij heeft nog niet alle leraren ervan kunnen overtuigen dat de school projecten moet opzetten voor leerlingen die meer dan gemiddeld begaafd zijn. "En dat terwijl ons systeem juist zo geschikt is om tijdens de vrij besteedbare daltonuren extra activiteiten aan te bieden ', zegt Van Hennik vol vuur. "Dat zijn de momenten waarop deze leerlingen zich niet hoeven te vervelen. Zonder buitenbeentjes te worden kunnen ze dan op hun eigen niveau werken.'

Onderbouwers hebben vijf daltonuren per week, bovenbouwers zeven. Dat zijn uren die ze zelf mogen invullen, als ze maar bij een leraar in een lokaal zitten. Sommige kinderen werken aan hun taak, anderen vragen uitleg van iets waar ze moeite mee hebben. Maar het daltonuur is ook het moment dat de schoolkrantredactie vergadert, de toneelclub repeteert en sinds kort dus de dalton-plusleerlingen aan hun opdracht werken.

Zo ontwikkelen David, Hille-Paul en Rick nu samen een hogere computertaal. Ze houden een logboek bij van hun werkzaamheden en brengen wekelijks verslag uit aan de rector, die alle gemaakte afspraken noteert. Nu zijn ze nog in het stadium van boeken aanslepen, verkennen en oefenen, maar binnenkort moet er een concreet doel worden geformuleerd en wil Van Hennik een demonstratie zien.

Stefan, een andere dalton-plusser, is nog niet erg opgeschoten met zijn fysische informatica. Alles staat klaar, maar nu is z'n maat ziek. Wat pijnlijker is: Stefan haalt af en toe een onvoldoende en dat is niet volgens de afspraak. Eerst was het wiskunde en nu weer biologie. "Hoe komt dat?', wil Van Hennik weten. "Het proefwerk was na het weekend en toen had ik geen tijd om huiswerk te maken', antwoordt Stefan met schuldbewuste blik.

Stefan is een typisch voorbeeld van een seizoenwerker, zegt Dick van Hennik later. Dat zijn leerlingen die tot april niets uitvoeren, maar dan twee maanden flink op de pedalen gaan staan en met redelijke cijfers overgaan. "Ik kan het natuurlijk niet maken dat ze in de gewone lessen onvoldoendes halen, en hier komen voor de leuke extra's', zegt Van Hennik. "Ik stel duidelijke eisen aan ze. Alle vakken moeten voldoende zijn, en het niveau van de projecten moet flink hoog liggen.'

De dalton-plussers hebben een uitdaging nodig waar ze echt hun best voor moeten doen, want het is natuurlijk een misverstand dat hoogbegaafde kinderen alles zomaar kunnen. Als ze hun interesses mogen volgen kunnen ze heel zelfstandig werken en kan de leraar zich beperken tot het geven van tips. "De hapklare brokken van ons onderwijssysteem, het stap voor stap aanleren en inoefenen van nieuwe leerstof, dat hebben deze snelle leerlingen niet nodig', weet Van Hennik. Ze leren anders en ervaren veel stof als onnodige ballast.

Van Hennik noemt een voorbeeld uit de dagelijkse praktijk: leerlingen die een één halen voor hun woordjes, maar een negen voor hun tekst. Moeten die een vijf op hun rapport krijgen, vraagt de rector zich af. Of wordt hen daarmee onrecht aangedaan? Woordjes leren is immers niet meer dan een middel om een tekst te kunnen begrijpen? Een moeilijk geval voor leraren, want het motto gelijke monniken, gelijke kappen is een van de fundamenten van het onderwijs. Van Hennik vindt dat een leraar eigenlijk het lef zou moeten hebben om in zo'n geval een acht te geven en dat uit te leggen aan de andere leerlingen.

Maar zover is het nog niet op de Dalton Scholengemeenschap. Het is voor Hennik al moeilijk genoeg om zijn collega's zover te krijgen dat ze lastpakken die eerst de beest hebben uitgehangen, extra begeleiding gaan geven. Waar hebben ze dat aan verdiend, vragen sommigen zich af en Van Hennik kan zich die vraag goed voorstellen, want niets is zo vervelend voor leraren als pientere leerlingen die slechte cijfers halen.

Het is zijn ideaal dat iedere sectie een speciaal aanbod ontwikkelt voor begaafde leerlingen. "Een muzikaal talent moet in het muzieklokaal terecht kunnen tijdens het daltonuur, een tekentalent bij tekenen, een sporttalent bij lichamelijke oefening. Iemand met grote belangstelling voor natuurwetenschappen of computerkunde moet kunnen experimenteren onder begeleiding van een technisch onderwijsassistent of een docent'. Zo worden hoogbegaafde kinderen geen buitenbeentjes en hoeven ze zich ook niet stierlijk te vervelen. "De extra activiteiten die ze in de daltonuren mogen doen beschouwen we als wisselgeld voor de dingen die gewoon gedaan moeten worden op school.'