Lichte accentverschuivingen in het werk van Co Westerik; Vooral het blauw blijft bij

Tentoonstelling: Co Westerik, t-m 19-1 in het Stedelijk Museum, Amsterdam. Geopend dag. 11-17u. Catalogus ƒ 49,50.

Geliefd bij publiek, verzamelaars, musea en collega's is Co Westerik een stabiele factor in het steeds wisselende Nederlandse kunstklimaat, al is Westerik nooit een publieksfiguur geworden. Eens in de zoveel jaar is het weer tijd voor een overzichtstentoonstelling. Bij de expositie in het Stedelijk Museum worden de laatste vijfentwintig schilderijen en vijftig tekeningen en aquarellen getoond uit de afgelopen tien jaar.

Niemand verwacht van Westerik een radicale ommezwaai, maar lichte accentverschuivingen zijn er wel te constateren. Westeriks aandacht gaat nu vooral uit naar vorm, kleur en maatverhouding. De schilderijen zijn wat leger en het beklemmende in zijn werk is soms verdwenen. Ging zijn publiek vroeger naar huis met een onbehaaglijk gevoel omdat Westerik zo'n tegelijk herkenbare en vervreemdende kijk op de werkelijkheid had, tegenwoordig blijft de prachtige, intense kleur - vooral het blauw - in zijn schilderijen het meest bij.

Meisje met haar in het water uit 1982 is een voor zijn doen groot doek dat niet dezelfde knagende spanning heeft van het overbekende Snijden aan gras - of je moet de pokken van een inenting op haar bovenarm afstotend vinden -, maar eerder een bijna klassieke, of liever gezegd vroeg-renaissancistische, schoonheid. Die wordt veroorzaakt door een geraffineerd spel van ruimtewerkingen, dat op zijn beurt teweeg wordt gebracht door verfopeenhopingen in het reliëf van het doek. Het meisje is tweemaal afgebeeld: een keer met haar haren over haar gezicht heen, half in het water, en eenmaal als een ideaalbeeld dat uit het heldere blauw van de achtergrond opdoemt.

Westerik niet een talent dat alles gemakkelijk afgaat. Zijn schilderijen komen moeizaam tot stand - dat is aan de toets te zien - en lijken nog niet bij benadering het resultaat te halen wat hem voor ogen staat. Westerik maakt hooguit twee doeken per jaar en de lange weg naar het eindresultaat is, ook dankzij de techniek van de transparante verflagen, goed te reconstrueren. Het geeft de toeschouwer het gevoel dat hij ook zelf de schoonheid dicht kan benaderen.

Je hoort vaak dat Westerik nog één van de weinigen is die verstand heeft van oude technieken en dat hij op dezelfde manier werkt als schilders van de vroeg-Renaissance. Maar ook in zijn techniek sloeg hij een eigen weg in, zoals blijkt uit een lezing die hij in 1981 hield in Maastricht, tijdens een symposium over historische schildertechnieken, en die nu afgedrukt staat in het nulnummer van het nieuwe tijdschrift kM over kunsttechnieken. Westerik legde destijds uit dat vroeger het concept wat kleuropbouw en voorstelling betreft van tevoren vastlag - voor een opdrachtgever moest een Madonna nu eenmaal altijd in het blauw. Het was daarom onmogelijk om tussentijds van koers te veranderen.

Dat doet Westerik zelf wel, ook al gaat dat ten koste van een logische opbouw. “De bruikbaarheid van oude technieken nu hangt af van de geaardheid van de hedendaagse schilder. Sommige mensen verwachten van die oude techniek dat de Heilige Geest gemakkelijker op hen zal neerdalen. Maar op zoek gaan naar oude pigmenten, die door de research tegenwoordig nota bene door veel betere kunnen worden vervangen, is achterhaald. Het putten uit oude recepten alleen vormt een te zwakke, romantische basis.”