Inkomensbeleid

De vraag of de toeneming van het aantal werklozen aanleiding geeft tot een verlaging van het minimumloon, beantwoordt G.J.M. de Vries, directeur Algemeen economisch en inkomensbeleid van het ministerie van sociale zaken ontkennend (NRC Handelsblad, 19 december).

Daarvoor voert hij tegenstrijdige argumenten aan. De auteur wijst onder andere op een geringe arbeidsmarktparticipatie van ongeschoolden die - zo meent hij - zowel een gevolg kan zijn van een tekort aan banen als van een tekort aan feitelijk aanbod van personeel. In tegenstelling tot de WRR houdt De Vries het op het laatste.

Nu is het samengaan van hoge en toenemende werkloosheid met een lage participatievoet onder omstandigheden van voldoende werkgelegenheid (De Vries wijst op het relatief grote aantal moeilijk vervulbare vacatures voor ongeschoolden) een merkwaardig verschijnsel. Dit kan slechts verklaard worden op grond van beschikbare alternatieven voor niet-werkenden.

De Vries wijst hier ook op als hij het ontbreken van een, in vergelijking met de uitkeringshoogte, aantrekkelijke beloning aanvoert. Maar dan liggen de zaken toch enigszins anders dan hij het voorstelt. Immers, institutionele marktfactoren hebben mede tot gevolg dat een deel van het beschikbare arbeidsaanbod met behulp van sociale uitkeringen "uit de markt wordt gekocht' met als neveneffecten de door De Vries geconstateerde geringe participatiegraad en het hoge reserveringsloon van niet-werkenden.

Zo is het ook verklaarbaar dat de laagste CAO-lonen gemiddeld tien procent boven het wettelijk minimumloon liggen en dat deze kloof in de afgelopen jaren sterk is gegroeid indien rekening wordt gehouden met de beschikbare marktalternatieven. Men kan werkwilligen geen verwijt maken indien zij op de arbeidsmarkt tot een rationele keuze komen, los van overwegingen van solidariteit of sociale verantwoordelijkheid.

De door De Vries aan de orde gestelde vraag laat zich onder de heersende, betrekkelijk kunstmatige marktverhoudingen niet beantwoorden op grond van de door hem aangevoerde empirische gegevens. Indien beleidsinstanties andere keuzen op de arbeidsmarkt prefereren, zal men aandacht moeten geven aan de geldende marktinstituties. Maar daar werd nu juist in het WRR-rapport op gewezen.