Indië-veteranen

In de inleiding in Delft waarvan de tekst is afgedrukt in NRC Handelsblad van 19 december, geeft C. Schulten een beeld van de "gapende kloof' tussen de geschiedbeleving en de geschiedschrijving over onze militaire periode in Indië. Dit aan de hand van de drietal "casusposities':

- het verschil tussen de belevenissen van de Indiëgangers in "hun instellingen met een beperkt schootsveld' en recente geschiedschrijvingen die een heel ander beeld geven;

- de felle discussie tussen de Indiëgangers en de historici over de concept-conclusie van De Jong dat er "oorlogsmisdrijven' zijn gepleegd;

- het gevoel van de Indiëgangers dat zij te weinig erkenning hebben gehad, tegenover de opvatting van (geschiedschrijver) Schulten dat die erkenning er wel is geweest.

Wetenschappelijk bezien valt tegen deze schematische benadering weinig in te brengen. De wetenschap werkt met significante feiten en niet met gevoelens. Maar de Indiëgangers worden wel lelijk in de hoek gezet. Ze hebben wel drie jaren de hitte van de dag en de angst van de nacht ervaren, maar in feite weten zij niet wat er in Indië is gebeurd... Impliciet is daarmee wel de geloofwaardigheid van hun verhalen een stuk minder geworden. Wij opa's komen moeilijk te zitten bij de "overdracht van ons historisch erfgoed' aan onze kleinkinderen. Weer nieuwe frustraties...

Overigens heeft Schulten in zijn inleiding ook vele positieve dingen over de positie van de Indiëgangers gezegd en daarbij ook de hitte van de dag en de angst van de nacht niet vergeten.

Hij acht de Indië-periode dermate "springlevend' en een "rijke geschiedenis' dat er méér publikaties zullen komen omdat de visies zich steeds wijzigen. Ik hoop dat daarbij dan ook eens een analyse wordt gemaakt van de zin van ons verblijf in Indië en de betekenis daarvan voor Nederland en Indonesië. Wij zien nog steeds die zin niet, hetgeen een belangrijkste reden is van de kater die wij eraan hebben overgehouden.