Grootverbruikers: puur Nederlandse energieheffing is uit den boze

HILVERSUM, 2 JAN. “Nederland moet met zijn heffingen op brandstoffen zo snel mogelijk in de pas gaan lopen met het beleid van de Europese Gemeenschap om de concurrentieverhoudingen niet verder te verstoren”. Zo reageert ir. E.A. de Wit, voorzitter van het Samenwerkingsverband Industriële Grootafnemers van Energie (SIGE) op de voorspelling dat de concurrentiepositie van een groot aantal energie-intensieve bedrijven drastisch wordt aangetast door de invoering van nieuwe energieheffingen.

De nadelige invloed van zo'n nieuwe heffing blijkt uit een voorstudie, gemaakt in opdracht van de Commissie-Wolfson. Zij onderzoekt op verzoek van de regering de consequenties van een regulerende energieheffing op brandstoffen en elektriciteit. Een dergelijke heffing is bedoeld om energiebesparing af te dwingen, vooral met het oog op vermindering van milieuvervuiling.

Ir. De Wit verwacht dat de Commissie-Wolfson, die naar verwachting volgende maand haar rapport uitbrengt, de invoering van een puur Nederlandse heffing zal afraden. Een Europese, liever nog mondiale aanpak van het milieu- en energieprobleem is verre te prefereren, vindt De Wit. “Om dat mogelijk te maken, zou minister Andriessen zijn verzet moeten opgeven tegen onderdelen van het Brusselse beleid om in 1993 één vrije Westeuropese energiemarkt te vestigen, in het belang van zo laag mogelijke brandstoffenprijzen in de hele EG.”

Het SIGE, een pressiegroep van 22 grote bedrijven, boekte de afgelopen maanden succes met zijn verzet tegen kabinetsplannen om de nationale milieuheffingen op brandstoffen en elektriciteit (een wijziging van de Wet Algemene Bepalingen Milieuhygiëne) drastisch te verhogen. Ministers en Kamerleden werden met een brandbrief van een groep industriële giganten bestookt waarin zij onomwonden dreigden met vertrek. Onder druk van de Tweede Kamer besloot het kabinet tot een andere verdeling van de financiële pijn, die de grote bedrijven enigszins ontziet.

Toch is De Wit allerminst tevreden: “Voor de grootverbruikers zijn de heffingen weliswaar tijdelijk gemitigeerd, maar de schurkenstreek is dat de kleine consument, die niet is georganiseerd en geen kabaal kan maken, nu de rekening gepresenteerd krijgt.”

De Wit betreurt dat de Europese energieministers in hun vergadering van 10 en 11 december in Brussel nog geen begin van overeenstemming konden bereiken over een Europese energieheffing, “want de Nederlandse heffing moet zo snel mogelijk worden geïnternationaliseerd, anders gebeuren er alsnog ongelukken.”

De Europese Commissie deed afgelopen zomer een voorstel voor zo'n heffing aan de Ministerraad. Volgens dat voorstel moet de opbrengst van de heffing weer worden teruggegeven aan de energieverbuikers, zowel bedrijven als kleine consumenten. Elke EG-lidstaat krijgt in het voorstel de vrijheid om dat terugsluizen zelf in het eigen nationale systeem van belastingen en sociale premies te regelen. Voor de industrie zou dat echter een enorme extra bureaucratie betekenen. Daarom bepleit het ministerie van economische zaken om de energie-intensieve bedrijven vrij te stellen van de heffing.

Binnen het kabinet bestaan daartegen bij de PvdA-ministers weerstanden. Overwogen wordt de opbrengst van de heffing vooral aan te wenden voor verlaging van sociale premies, waardoor de arbeidskosten omlaag gaan en meer mensen aan een baan kunnen worden geholpen. Daarvoor is een hoge opbrengst nodig, waarbij de bijdrage van de grote bedrijven niet gemist zou kunnen worden.

Tegen een Europese energieheffing heeft de SIGE-voorzitter geen bezwaar, omdat daarmee de kosten voor grootverbruikers van energie, die voor een groot deel afhankelijk zijn van de exportmarkt, in de EG overal in gelijke mate stijgen. Wel resteert dan nog een probleem voor bedrijven die een belangrijk deel van hun goederen buiten Europa afzetten en dus moeten concurreren met Noord-Amerika en het Verre Oosten.

Maar verder gaan op het pad van Nederlandse heffingen, zoals minister Alders (milieuhygiëne) wil, is uit den boze, zegt De Wit. “Uit deze studie voor de Commissie-Wolfson blijkt heel duidelijk dat het contra-produktief werkt. Nederland verliest ernstig aan economische kracht, de energiebesparingstechniek wordt benadeeld en het milieuprobleem niet opgelost. Verplaatsing van grote bedrijven naar landen waar het milieubeleid minder streng is, kan zelfs leiden tot meer mondiale milieubelasting.”

De Wit klaagt dat het SIGE onvoldoende gehoor krijgt bij minister Andriessen en zijn topambtenaren waar het gaat om de wenselijkheid van de interne EG-markt voor energie in 1993. Vooral de negatieve reactie van Economische Zaken op de plannen van de Europese Commissaris voor energiezaken, Antonio Cardoso e Cunha, zit hem dwars. Cardoso wil in fasen een vrije toegankelijkheid van grote aardgasafnemers op de nationale pijpleidingennetten voor het aardgastransport invoeren om de concurrentie te bevorderen, het zogenoemde third party access.

In een brief aan minister Andriessen noemt het SIGE het Nederlandse verzet tegen Cardoso “inconsistent met het algemene beleid van de regering voor de totstandkoming van de interne EG-markt en tegengesteld aan de liberalisering van de Nederlandse energiemarkt.” Die twee zaken acht De Wit essentieel voor de industriële energiegebruikers. “Grotere mededinging zal leiden tot de nodige grotere verscheidenheid in contracten en dwingen tot grotere doelmatigheid in zowel de Europese energieproduktie als de distributie.”

Over de elektriciteitssector in Nederland is De Wit redelijk tevreden. “Wij hebben nu een redelijk tarief gekregen voor levering aan het openbare net van overtollige stroom die door bedrijven zelf wordt opgewekt met warmte-krachtinstallaties. Hier speelt Economische Zaken een goede rol. We streven nu nog naar veel meer duidelijkheid over de kosten die de distributiebedrijven voor het transport van stroom berekenen. Dan wordt het makkelijker om elektriciteit tegen een lager tarief elders in te kopen.” Ook vindt De Wit dat het wettelijk verbod op import van elektriciteit door distributiebedrijven nog moet verdwijnen.

“Maar in de gaswereld, waar je te maken hebt met een monopolie van de Gasunie, is men nog verschrikkelijk conservatief. Economische Zaken volgt dat beleid en jaagt daarmee alleen het belang van de Staat (het staatsaandeel in de opbrengst van het Nederlandse aardgas) en van Shell en Esso na, die grote belangen hebben in de winning en produktie van het aardgas.”

Het argument van minister Andriessen dat door invoering van third party access in Nederland de winning van gas in de kleine velden wordt doorkruist, acht De Wit niet geldig. “Ik vind dat een on-economisch argument en in hoge mate inconsequent tegen de achtergrond van de Europese markt en de vrije concurrentie. Wij willen als industrie wel degelijk lange-termijncontracten voor de afname van gas. Er is meer dan genoeg vraag, maar al zou de prijs iets omlaag gaan, dan kunnen die kleine velden gewoon doorgaan met de produktie. Dat zie je trouwens ook in Engeland. Maar het vervelende is dat de topambtenaren van Andriessen daar niet met ons over willen communiceren.”