Dronken

Nu de bulk van de feestelijkheden zo'n beetje achter de rug is, maar nog wat tijd resteert voor nabeschouwing en reflectie, nu is het wel een goed moment om ons af te vragen of kleine mensen sneller dronken worden dan grote en of vrouwen eerder "op hun hoofd staan' dan mannen. Een enkele waarneming wees daarop.

Het zijn geen vragen die een hoge prioriteit hebben in het moderne alcohol-onderzoek, daar worstelt men met het bizarre epidemiologische gegeven dat een flinke alcohol-consumptie de kans op last met het bloedvatstelsel vermindert. Ook de naslagwerken die deze rubriek voor levens- en gezinsproblemen mede uit didactische overwegingen altijd als eerste raadpleegt, ook die naslagwerken laten de meest intrigerende vragen weer het eerst liggen. Niemand heeft zich kennelijk willen afvragen of Japanners, Chinezen en andere mongolide rassen werkelijk zo slecht tegen drank kunnen als het volksgeloof wil. En niemand vroeg zich af wat het verschil is tussen de habituele drinker die ogenschijnlijk zo goed tegen alcohol kan en de gelegenheidsdrinker die de eerste borrel al in de benen zakt. Leren incasseren, leren maskeren of: leren oxyderen?

Een handicap voor alcohol-onderzoek van deze soort is dat de grote individuele verschillen het zicht op de trend bemoeilijken en bovendien dat velen de neiging vertonen te reageren zoals wordt voorgeschreven. Sinds bekend is dat lijders aan een delirium tremens muizen ("bewegende kleine dieren', zegt de Prins) over hun bed zien lopen heeft er niet één meer een drieteenstrandlopertje op de dekens gezien. Toch heeft men de alcohol-fysiologie al aardig onder de knie.

De hoofdlijnen zijn deze. Alcohol ("ethanol') kan, anders dan de meeste voedingsmiddelen, al door de maag in het bloed worden opgenomen en wat de maag laat liggen neemt de dunne darm wel op. Binnen een half uur na een geïsoleerde alcohol-consumptie bereikt de bloed-alcoholspiegel al zijn hoogste waarde. Daarna loopt het alcoholgehalte van het bloed ruwweg lineair met de tijd terug. Per uur verdwijnt dus steeds evenveel alcohol en wie nagenoeg momentaan zes glazen (van 35 cc) whisky van 40 procent naar binnen werkt, mag verwachten dat bijna alle alcohol na zes of zeven uur weer uit zijn bloed is verdwenen. Daarbij zal dan het alcoholgehalte van het bloed waarschijnljk niet hoger zijn geworden dan 1,0 à 1,1 promille (gram per liter bloed). (Dat is overigens twee keer zoveel als automobilisten is toegestaan.) Omdat een mens, een màn, van gemiddeld postuur zo'n 5,5 liter bloed heeft en de zes consumpties samen ongeveeer 70 gram alcohol bevatten, blijkt zelfs op het moment dat de alcohol-spiegel van het bloed maximaal is nog geen tien procent van de verorberde alcohol in de bloedmassa te zitten.

Waar is de rest? De rest heeft zich over weefsels en organen verdeeld in evenredigheid met het watergehalte daarvan. Hoe hoger het vochtgehalte van de weefsels hoe meer alcohol daarin is te vinden, dat is ruwweg de regel. In vetweefsel wordt alcohol het minst opgenomen. De natte fractie van het lichaam bepaalt dus de alcoholbelasting van de hersenen en daarom kunnen grote mensen, of beter gezegd: zware mensen beter tegen drank dan kleine mensen.

Alleen al omdat vrouwen lichter zijn en (verhoudingsgewijs) meer vetweefsel bezitten dan mannen staan zij eerder op hun hoofd. Met zoveel woorden stond dat al in het handzame boekje "Hoe gezond is gezellig' dat TNO vorig jaar uitgaf. Vrouwen zijn bevattelijker stond daar. Want kleiner en vetter.

Dat dat gedeeltelijk zou worden gecompenseerd door een hogere metabolische activiteit van de vrouwen, door een versnelde afbraak dus van de alcohol, klinkt prof.dr.ir. R.J.J. Hermus van TNO's Instituut CIVO-Toxicologie en Voeding zeer onwaarschijnlijk in de oren. Eerder is het tegenovergestelde het geval.

Afgezien van een geringe uitscheiding (als zodanig) van de alcohol door longen, huid en nieren vindt de afbraak van alcohol vooral plaats in de lever (dus niet in het bloed zelf en slechts mondjesmaat in andere organen). In de lever bevindt zich een groep enzymen aangeduid met alcohol dehydrogenasen (ADH) die de alcohol oxyderen ("verbranden') tot aceetaldehyd, dat op zijn beurt gewoonlijk wordt verbrand tot acetaat (azijnzuur) dat verder makkelijk zijn weg vindt in de stofwisseling. De gezonde lever van een gezonde man kan, zegt het TNO-boekje, per uur ongeveer 9 milliter (7 gram) alcohol opruimen.

Maar de lever van vrouwen kan veel minder alcohol aan. ""Daar komt bij'', zegt Hermus, ""dat de aanwijzingen steeds sterker worden dat mannen ook een actief alcohol-afbraaksysteem in hun maagwand hebben. Een systeem dat vrouwen missen.''

Tot zover de vrouwen. Dat habituele drinkers zo goed tegen drank kunnen zit hem in niet alleen in de adaptatie van de hersenen maar ook in het feit dat zij van lieverlee een extra afbraaksysteem in werking zetten: het microsomale ethanol oxyderende systeem MEOS. Dit "induceerbare' enzymsysteem kan op den duur wel 20 tot 30 procent van de alcoholafbraak voor zijn rekening nemen. Dat gaat dan helaas ten koste van de mogelijkheid geneesmiddelen af te breken, ook dat is een functie van MEOS.

De waarneming dat Japanners en Chinezen vaak nogal vreemd op alcohol reageren is in zijn algemeemheid correct. Hermus: ""Er is vastgesteld dat bij veel mongolide rassen een genetisch bepaalde afwijking optreedt in de verwerking van aceetaldehyd, het eerste omzettingsprodukt van alcohol. Consumptie van alcohol leidt bij hen makkelijk tot een ophoping van aceetaldehyd dat tamelijk toxisch is. Langs kunstmatige weg wordt hetzelfde bereikt met het medicijn disulfiram.''

Aceetaldehyd wordt gewoonlijk verantwoordelijk gehouden voor het morning-after gevoel: de kater. Ophoping van aceetaldehyd uit zich in blozen en een gevoel van misselijkheid. Japanners en Chinezen hebben een kater voor ze dronken zijn.