De verdwijnende universiteit; Universiteiten en hogescholen discussiëren over het hoger onderwijs van de toekomst

Minister Ritzen was duidelijk "not amused'. Wat een demonstratie had moeten worden van zijn goede verhoudingen met het hoger onderwijs werd een flop. Een ongebruikelijke en ook nog eens langdurige schorsing ten spijt, lukte het hem niet universiteiten en hogescholen op één lijn te krijgen. Waren eerst de universiteiten tegen de formuleringen waarmee de minister de onderhandelingen over het Hoger Onderwijs- en Onderzoekplan (HOOP) had willen afsluiten, nadat hij dezen hun zin had gegeven waren de hogescholen tegen. De beloofde drankjes en hapjes stonden al klaar om de afloop van het elf uur durende overleg te vieren, toen Ritzen beval ze weg te halen. Hij had er geen trek meer in.

Dat was begin december. Daags voor Kerstmis blijkt in de loop van een discussie van ruim drie uur dat voorzitter H.J. Kemner van de HBO-Raad (de vereniging van hogescholen) en zijn tegenvoeter bij de universiteiten, voorzitter W.C.M. van Lieshout van de Vereniging van Samenwerkende Nederlandse Universiteiten (VSNU) beide vinden dat het hoger onderwijs ingrijpende veranderingen te wachten staan. Maar ook zijn beiden van mening dat alvorens over een nieuwe inrichting van het hoger onderwijs gesproken kan worden, eerst duidelijk moet zijn welke maatschappelijke ontwikkelingen er vallen te verwachten en wat daarvan de gevolgen voor het onderwijs zijn. Pas daarna kan over een andere vorm van het hoger onderwijs worden gediscussieerd.

Van Lieshout: ""Ik heb de indruk dat we het in Nederland in discussies over het hoger onderwijs altijd over dat laatste hebben, en nooit over de consequenties voor het onderwijs van bepaalde maatschappelijke ontwikkelingen. Wij hebben het over zaken als examens, bindend studie-advies, bekostiging. Die dingen willen we regelen, waarbij we begrippen hanteren als rechtvaardigheid en het stimuleren van ontwikkelingen. Maar in feite worden in zulke discussies allereerst de eigen belangen behartigd.''

De aanleiding voor het verschil van mening tussen minister, hogescholen en universiteiten begin december was een bedrag van ongeveer 160 miljoen gulden, ofwel zo'n twee procent van de zeven miljard gulden die de overheid naast de studiefinanciering jaarlijks in het hoger beroepsonderwijs en het wetenschappelijk onderwijs steekt. Het bedrag vormt een kwart van de ruim zeshonderd miljoen gulden die de universiteiten in vergelijking met de hogescholen extra krijgen voor hun onderwijs.

De hogescholen herinnerden de minister (en de universiteiten) aan een eerder gedane toezegging, waarbij werd overeengekomen dat zij toegang zouden krijgen tot de uitgebreide infrastructuur van de universiteiten: de studentenvoorzieningen (mensa en sportcomplex), de bibliotheek en de wetenschappelijke infrastructuur (laboratoria en resultaten van wetenschappelijk onderzoek). Vooral dat laatste ligt heel gevoelig. In de praktijk blijkt het heel moeizaam te gaan als hogescholen geen vergoeding wensen te betalen voor het gebruik van de wetenschappelijke infrastructuur.

Een vrij banale aanleiding voor een conflict, maar één met een diepere achtergrond. De universiteiten zijn bang dat de hogescholen op een terrein komen dat zij tot dusver als hun exclusieve domein beschouwen: het wetenschappelijk onderzoek. Het idee dat hogescholen wetenschappelijk onderzoek gaan verrichten schrikt hen af. Volgens formele verklaringen omdat dit zou kunnen leiden tot "verdunning van de onderzoekscapaciteit'. In feite vrezen de universiteiten dat het geld dat hogescholen voor het doen van onderzoek nodig zullen hebben, van hun budget af zal gaan. Bovenal steekt het hen dat als hogescholen wetenschappelijk onderzoek gaan verrichten, hoger beroepsonderwijs en wetenschappelijk onderwijs nog moeilijker te onderscheiden zullen zijn dan nu al het geval is. (Overigens mogen de hogescholen al sinds 1986 wetenschappelijk, maar op toepassing gericht onderzoek doen.)

""Koudwatervrees'', karakteriseert Kemner de angst dat hogescholen wetenschappelijk onderzoek zullen gaan verrichten. ""Het gaat erom dat wij gebruik kunnen maken van de resultaten van onderzoek dat belangrijk is voor de ontwikkeling en vernieuwing van beroepen''. Volgens de voorzitter van de HBO-Raad is het de bedoeling met dubbel-aanstellingen te werken: onderzoekers die een deel van hun tijd aan de universiteiten bezig zijn - en daar onderzoek doen - en voor het overige aan hogescholen hun kennis en ervaring gebruiken bij de ontwikkeling van beroepen. Vandaar ook de afspraak om "onderzoeker' als aparte categorie in het personeelsbestand op te nemen.

Door het titeltje

Ook status speelt een belangrijke rol bij het conflict, erkennen Kemner en Van Lieshout. Volgens Kemner genieten universiteiten in de samenleving ""nu eenmaal'' een hogere maatschappelijke status dan hogescholen. Van Lieshout vindt dat het statusverschil weliswaar een maatschappelijke realiteit is, maar dat het bestreden zou moeten worden. Hogescholen voelen zich volgens hem ""ten onrechte'' onvolwaardig.

Van Lieshout meent dat hogescholen niet moeten proberen op universiteiten te lijken. Dat helpt toch niet, want studenten laten hun studiekeuze nog het meest bepalen ""door het titeltje''. Uit de titelatuur zou volgens Van Lieshout en Kemner dan ook geen verschil tussen een opleiding aan een universiteit of hogeschool mogen blijken. Afschaffen van de drs-titel zou een eenvoudige bijdrage kunnen zijn aan een rationelere studiekeuze, al is daarvoor ook nodig dat werkgevers, en dan met name de overheid bij de inschaling van personeel ""minder rigide en achterhaalde normen'' hanteren. Iemand met een titel begint een schaal hoger dan iemand die geen drs, mr of ir voor zijn naam mag zetten. ""Dat is zo langzamerhand absurd. Het doet geen recht aan de opleiding die studenten krijgen, en ook niet aan de persoonlijke kwaliteiten van mensen.''

Al in de jaren zeventig signaleerde de Commissie Ontwikkeling Hoger Onderwijs dat hogescholen en universiteiten ""naar elkaar toe groeien''. Minister Van Kemenade maakte het in zijn nota Hoger onderwijs in de toekomst zelfs tot een van de uitgangspunten van zijn beleid. Halverwege de jaren tachtig beschreef E. de Weert, verbonden aan het Centrum voor Studies van het Hoger Onderwijsbeleid (CSHOB) in Enschede, dat de typische kenmerken van de beide sectoren "voor zover ze in het verleden al bestaan hebben' aan het vervagen zijn.

De Weert verwoordde daarmee opvattingen die her en der in het land opklinken bij onderzoekers die onderwijsprogramma's van studierichtingen aan universiteiten en hogescholen vergelijken. Eigenschappen als de plaats van de theorie in de opleiding, didactische werkvormen, toetsingsvormen en specialisme versus generalisme verschillen aan de universiteiten nauwelijks van die aan de hogescholen.

In het Tijdschrift voor hoger onderwijs constateerden L.J. Polak en prof.dr. W.H.F.W. Wijnen van de Maastrichtse Universiteit in 1988 dat de "wetenschappelijkheid' van de opleiding wellicht nog een goed criterium zou kunnen vormen voor het maken van een onderscheid tussen hogeschool en universiteit, maar dat ook daar de klad in zit. Volgens hen zijn in de jaren tachtig aan de universiteiten alleen nog maar opleidingen ontstaan die zijn gericht op een maatschappelijk probleemveld (milieukunde) of die een beroepsgericht karakter (bedrijfskunde) hebben.

Van Lieshout heeft ""grote twijfels'' bij deze gang van zaken. In zijn visie past die niet bij de doelstelling van universitair onderwijs. ""Universiteiten zijn er om de vijf tot tien procent meest begaafden in ons land de mogelijkheid tot maximale ontplooiing te bieden. Zij moeten in de gelegenheid worden gesteld om hun kritisch denkvermogen te ontwikkelen. Dat kan het beste in een monodisciplinaire studie, waar studenten de methode die zo'n discipline ter beschikking heeft leren hanteren. Zij kunnen zo hun kritisch, analytisch en synthetisch vermogen scherpen aan voor hen nieuwe problemen.'' Als tweede element noemt Van Lieshout een brede culturele vorming. Daarvoor is het volgens hem nodig te studeren aan een universiteit ""met veel disciplines en een studium generale''.

Volgens Kemner klopt dit beeld niet met de werkelijkheid. Hij verwijst naar de opmerking van Polak en Wijnen over de nieuwe universitaire studierichtingen. ""Bij het wetenschappelijk karakter van de universitaire opleidingen kunnen vraagtekens worden gezet. Dat ze wetenschappelijk bedoeld zijn is evident, maar toch komen in de eerste fase steeds meer multi-disciplinaire, niet op wetenschappelijk onderzoek gerichte opleidingen. Het gevolg is dat er steeds vaker sprake is van overlap tussen de eerste fase-opleidingen aan universiteiten en hogescholen.''

Van Lieshout: ""Als blijkt dat de curricula van opleidingen voor zo'n zeventig tot tachtig procent gelijk zijn, heeft het geen enkele zin ze in beide sub-systemen, hoger beroepsonderwijs en wetenschappelijk onderwijs, te laten voortbestaan. Als die opleidingen dan ook nog opleiden voor een beroep, horen ze in het beroepsonderwijs thuis.''

Op de verkeerde weg

Het huidige stelsel van hoger onderwijs met universiteiten, hogescholen en Open Universiteit moet op de helling, vinden Kemner en Van Lieshout. Redenen zijn de omvorming van de universiteit van elite- naar massa-instituut en de verdere vergroting van het aantal hoger opgeleiden (van ruim twintig nu tot zo'n 35 procent van een leeftijdscohort rond het jaar 2000). Maar ook de uiteenlopende behoeften van de studenten zelf en, natuurlijk, de vraag op de arbeidsmarkt spelen een rol.

Deze ontwikkelingen vragen, erkennen de twee voorzitters, een gedifferentieerd stelsel van hoger onderwijs. Daarbij moet die differentiatie niet worden gezocht in nog meer nieuwe opleidingen en specialisaties. Van Lieshout: ""Daarmee zitten we volstrekt op de verkeerde weg. Een tijd lang was de vraag op de arbeidsmarkt juist specialiseren, maar daarvan lijkt het bedrijfsleven teruggekomen. De versplintering in het opleidingsaanbod moet nu worden teruggedrongen.'' Kemner: ""Het idee dat alle opleidingen vier jaar moeten duren komt niet overeen met de belangstelling van studenten. Het is ook niet juist als je kijkt naar de behoefte van de maatschappij. Ik vind dat we zo langzamerhand eens moeten gaan praten over zowel een langere als een kortere cursusduur dan vier jaar.''

Voor de toekomstige vormgeving van het hoger onderwijsstelsel betekent dit volgens Kemner dat het binaire stelsel op den duur zal verdwijnen. Er komen, denkt hij, instellingen waar studenten terecht kunnen voor hun initiële vorming tot wetenschappelijk onderzoeker of voor een ander beroep. Daarnaast ziet Kemner regionale opleidingscentra ontstaan waar studenten brede, meer algemene opleidingen van verschillende lengte kunnen volgen, en waar ook een ruim aanbod aan na- en bijscholingsonderwijs wordt aangeboden.

Van Lieshout publiceerde in 1984 een schets van het hoger onderwijs die in die tijd nogal wat opzien baarde: over zo'n 25 jaar verwachtte hij een herverkaveling met als resultaat acht "moderne' universiteiten (gefuseerde hogescholen en universiteiten), vier klassieke universiteiten, twintig hogescholen en dertig bijzondere instituten (voor onder meer de lerarenopleiding). In grote lijnen ziet Van Lieshout die indeling nog steeds als ""zeer geschikt''.

Op papier hebben Kemner en Van Lieshout veel medestanders. Een onderzoek onder deskundigen uit zowel het onderwijs als daarbuiten leerde in 1988 dat een grote meerderheid interessante veranderingen in het hoger onderwijs voorziet. En in het rapport Hoger onderwijs in de jaren negentig voorspelt het CSHOB een vergaande integratie tussen universiteiten en hogescholen, als de scheidslijnen tussen beide soorten instellingen niet meer helder zijn.

Of het daar voor het jaar 2000 nog van komt is zeer de vraag. Fusies zijn verboden. Minister Ritzen kondigde begin 1990 in de Tweede Kamer weliswaar aan het fusieverbod te zullen schrappen, maar op die mededeling is hij inmiddels teruggekomen. Kemner vindt dat ""merkwaardig'', niet eens omdat hogescholen nu zo nodig met universiteiten moeten fuseren, maar omdat de minister een richting afsluit waarin de ontwikkeling van het hoger onderwijs ""zou kunnen gaan''. Bovendien is het overheidsbeleid er één van deregulering, en zou de minister zich dus minder moeten bemoeien met de manier waarop universiteiten en hogescholen het onderwijs vorm geven. ""Hogescholen en universiteiten moeten zelf letten op maatschappelijke ontwikkelingen, en van daaruit hun opleidingen vormgeven. Als dat tot overlap leidt, kun je je gaan afvragen of je het niet beter samen kunt doen.''

En, zegt Kemner: ""Ik ben ook erg gecharmeerd van het drie-fasenopleidingsmodel. Daarin krijgen studenten in een eerste fase van twee jaar een vrij algemene opleiding, waarbij ze erg vrij zijn hun eigen studiepakket samen te stellen. Daarna volgt een tweede tweejarige opleiding, waarin de eerste specialisatie plaatsvindt. Voor de top-specialisaties en voor de afronding van de onderzoekersopleiding is er dan een derde fase.''