De rijkste man van Tsjechoslowakije

In 1982 noemde "The economist' het octrooi voor de fabricage van zachte contactlenzen het meest gevierde voorbeeld van Oost-West transfer van octrooien.

Otto Wichterle speelt dan ook een hoofdrol in het boek "Communist Entrepeneurs' van John Kiser dat twee jaar geleden verscheen. Tegenover Westerse journalisten heeft hij zich onlangs onomwonden "de rijkste man van Tsjechoslowakije' genoemd.

Inderdaad maakte hij twee jaar geleden, een paar weken na de "fluwelen revolutie' van november 1989, in zijn Praagse villa op de hoge westelijke oever van de Moldau geen ongelukkige indruk, al moest hij van tijd wat nitroglycerine opsnuiven om zijn hartklachten te onderdrukken. De Nederlandse visite werd verwend met cider-achtige consumpties en een overvloed aan mini-gebakjes.

De carrière van Wichterle is bepaald door de Tsjechische communistische partij en de Academie van wetenschappen die beide op beslissende momenten zeer genereus bleken en hem beide, op ander momenten, duchtig dwarsboomden. In 1958 werd Wichterle door de rector van de Praagse Technische Hogeschool, een vooraanstaande partijman die streng de Russische lijn volgde, als hoogleraar ontslagen omdat hij een openlijk verschil van mening met hem had over de kwaliteit van het onderwijs. Het Tsjechische Centraal Comité bood hem prompt excuses aan en kwam met het voorstel een "Instituut voor macromoleculaire chemie' op te richten met plaats voor 300 onderzoekers. Wichterle, die geen lid van de partij was en dat ook nooit is geworden, accepteerde en had zijn instituut binnen twee jaar op poten: het was toen, en is nog steeds, een van 's werelds best geoutilleerde niet-industriële instituten voor polymeerchemie. Partij en Academie lieten hem volkomen vrij in de keuze van zijn staf en bemoeiden zich niet met het onderzoekprogramma.

Wichterle: ""Het Russische Academie-systeem is zeer comfortabel. Het Presidium van de Academie garandeert de instituten een basis-budget ongeacht de inkomsten die de instituten verder hebben. Door research-overeenkomsten en de verkoop van licenties verwierf mijn instituut zich een riante financiële positie.'' Een zwakte van het systeem is de stricte scheiding tussen fundamentele research, toegepast onderzoek en industriële ontwikkeling. Academie-instituten worden geacht vooral fundamenteel onderzoek te doen.

""Als onderzoeksresultaten praktische toepasbaarheid hebben, dan kun je dat nooit aan een ander technisch instituut overdragen. Dan stuit je op een onverbiddellijk "not invented here'. Maar ons eigen instituut beschikte niet over de technische middelen om lenzen te produceren.''

""Daarom ben ik in 1961 tussen Kerstmis en Nieuwjaar zelf machientjes gaan maken voor de fabricage van mijn lenzen. Zo konden mijn vrouw en ik bewijzen dat massaproduktie van de lenzen mogelijk was. Het jaar daarop wist ik het produktieproces in 19 patenten (en 27 landen) beschermd te krijgen, dat heeft mij tot aan 1980 een vrijwel volledig monopolie bezorgd.''

De peperdure octrooiaanvragen werden door de staat betaald, maar Wichterle kon, als lid van de Academie van Wetenschappen, de octrooien op zijn eigen naam krijgen. Daarna kwam het op propaganda aan. Wichterle heeft vele duizenden zachte lenzen "op zicht' verstuurd om bedrijven tot het kopen van een licentie te bewegen. In 1964 werd de eerste licentie-overeenkomst gesloten met de Amerikaanse National Patent Development Corp. die op zijn beurt Bausch & Lomb als sub-licentiehouder verwierf. In 1966 begon deze de produktie, in 1970 gaf de Amerikaanse FDA toestemming de zachte lenzen op de markt te brengen.

Wichterle: ""Na de Russische inval in 1968 was het verlangen groot mij uit mijn Instituut te gooien. Maar omdat ik dreigde dan een adviseurschap voor een paar Amerikaanse bedrijven te aanvaarden, waarmee ik de rijkste burger van Tsjechoslowakije zou worden, hielden ze mij in functie - en verboden ze nevenactiviteiten. Wel verloor ik mijn positie als directeur: ik werd een "senior scientific worker' die geen recht had op studenten of medewerkers. In de praktijk kon ik, omdat iedereen mij welgezind was, tot aan mijn pensioen in 1978 heel redelijk mijn werk blijven doen. En ik hield, zij het na juridische stappen, mijn inkomsten uit de octrooien die in 1970 vernieuwd waren. Ik ben ook steeds regulier lid van de Academie gebleven, al begon die na '68 vol te stromen met communisten. Het is nu onze eerste taak die er weer uit te werken.''

In juni 1990 werd Wichterle op voorspraak van president Havel benoemd tot president van de Academie van Wetenschappen.