Consulenten bureau Migrant en Werk zelf ook allochtoon; Individuele begeleiding migranten op arbeidsmarkt blijkt succesvol

ROTTERDAM, 2 JAN. Het loopt storm in het kantoor van Migrant & Werk aan de Schiedamse Vest in Rotterdam. Maandelijks melden zich 120 nieuwe cliënten van allochtone herkomst die aan de slag willen. Met een consulent zoeken ze een rustig hoekje in de wirwar van bureaus, kasten en planten. Daar kunnen ze vertellen hoe lang ze werkloos zijn, wat ze kunnen en willen en waarom het nog niet is gelukt een baan te vinden. De consulenten zijn zelf ook van allochtone afkomst en werkloos geweest, waardoor het makkelijker is open kaart te spelen dan bij een "officiële instantie' als het arbeidsbureau.

De consulenten van het Bureau Migrant & Werk (BM&W) adviseren, bemiddelen voor scholing, helpen bij het oplossen van allerlei problemen die succes op de arbeidsmarkt in de weg staan en gaan zelfs op zoek naar een baan, hoewel dat aanvankelijk niet tot hun taak hoorde. Het sleutelwoord is "individuele trajectbegeleiding': uitgaande van de werkloze nagaan wat hij of zij nodig heeft om aan het werk te kunnen.

De bezoekers van BM&W komen uit eigen beweging, gestimuleerd door folders en affiches die het bureau verspreidt op trefplaatsen van mensen van niet-Westerse komaf. Na anderhalf jaar werpt ook mond-tot-mond-reclame haar vruchten af. Er zitten 1.600 mensen in het bestand. Sommigen werden alleen voorgelicht, anderen werden in een cursus geplaatst. Ook werden 98 mensen aan een baan geholpen. Directeur Frank Sichtman: “Er kunnen problemen ontstaan als je een cliënt met wie je in zes maanden een vertrouwensrelatie hebt opgebouwd overdraagt aan het arbeidsbureau. Daar kennen ze hem immers niet. Onze consulenten zijn daarom zelf op zoek gegaan naar werk voor hun cliënten. En dat lukte.” Na overleg met het arbeidsbureau mogen de consulenten van Migrant & Werk officieel bemiddelen, onder auspiciën van het arbeidsbureau.

Een jaar geleden spraken sociale partners en de overheid in de Stichting van de Arbeid af in vijf jaar 60.000 ingezetenen van niet-Westerse komaf aan een baan te helpen. Het aantal werklozen uit deze categorie (voornamelijk Turken, Marokkanen, Surinamers en Antillianen) bleef namelijk groeien, hoewel het totaal aantal werklozen in Nederland flink is afgenomen. Een belangrijke rol in dit werkgelegenheidsplan is weggelegd voor de bureaus die werklozen moeten voorbereiden op en begeleiden naar een baan.

In de meeste grote steden is ten minste één bureau. Rotterdam heeft Het Bureau Migrant & Werk. Het Buro Werkgelegenheid Allochtonen (BWA) in Arnhem lijkt op zijn Rotterdamse tegenvoeter. Het zoeken van werk is hier van meet af aan in de doelstelling opgenomen. Een belangrijk verschil met Rotterdam is dat in Arnhem alle allochtone werklozen die langer dan twee jaar staan ingeschreven bij het arbeidsbureau worden opgeroepen. In de praktijk wordt iemand die zich vrijwillig meldt en nog geen twee jaar werkloos is ook geholpen. Met degenen die niet komen opdagen gebeurt vooralsnog niets: men heeft de handen vol aan degenen die wel komen.

Het Arnhemse bureau draait formeel vanaf 1 januari 1991, maar is pas in de loop van het jaar echt op gang gekomen. Inmiddels zijn ongeveer tachtig mensen aan een baan geholpen. Arnhem telt 2.400 allochtonen die langer dan twee jaar werkloos zijn, op een totaal bestand van meer dan 20.000 werklozen. Het is de bedoeling dat het BWA, het arbeidsbureau en de gemeente samen de komende jaren ruim driehonderd mensen per jaar aan een vaste baan helpen. Is dat niet dweilen met de kraan open? Coördinator Van 't Hof: “Als je het negatief bekijkt wel. Maar hoe kun je in een paar jaar oplossen wat in 25 jaar is scheefgegroeid. Daar hebben we tien jaar voor nodig. Ons project eindigt echter op 1 januari 1993.”

Een obstakel vormde de moeizame samenwerking tussen de verschillende organisaties. Om die te verbeteren gingen medewerkers van BWA in het afgelopen voorjaar op een cursus maatwerk samen met het personeel van veertien andere Arnhemse instellingen die zich bezighouden met de problematiek van allochtonen, zoals VluchtelingenWerk Nederland, van de basiseducatie en de sociale dienst. Van 't Hof: “Het was een novum om je met elkaar over je werkwijze te buigen. Je ziet de vooruitgang nu al: er is een beter begrip voor elkaar”. Een bijkomend voordeel van zo'n gezamenlijke cursus is dat de mensen van de verschillende organisaties elkaar persoonlijk leren kennen, waardoor contacten soepeler verlopen.

Een ander knelpunt is dat ongeveer de helft van alle cliënten van het bureau een taalcursus nodig heeft om überhaupt terecht te kunnen op de arbeidsmarkt, terwijl voor die cursussen overal wachtlijsten zijn. Het is veelal efficiënter het taalonderwijs specifiek te richten op een bepaalde werkomgeving. Draaibank, hoekijzer en mopwagen maken nu eenmaal geen deel uit van het Nederlandse basisvocabulaire. Dat betekent les in kleine groepjes, wat veel geld kost.

Een derde probleem is de houding van werkgevers. Via het uitzendbureau Start, dat ook bij het project is betrokken, beschikt BWA over goede contacten bij bedrijven en instellingen. Het probleem is echter om werkgevers te laten aangeven wie ze over een paar maanden nodig hebben. Als een werkgever aangeeft dat hij over een zeker aantal maanden iemand nodig heeft die bepaalde taken kan uitvoeren, kan BWA ervoor zorgen dat er op tijd iemand wordt opgeleid. H. Wiersema, die vanuit het arbeidsbureau veel contacten heeft met het BWA: “Vaak melden werkgevers een vacature pas bij ons als ze niemand kunnen krijgen”.

Ook in Rotterdam weet men dat er nog zendingswerk onder werkgevers nodig is. “Wat bedrijven bijvoorbeeld meer moeten doen”, zegt Sichtman, “is mensen werven op taken en niet op beroepen.” Iemand die kozijnen moet stellen in de bouw, bijvoorbeeld, wordt nog vaak geworven als timmerman, terwijl een ongeschoolde vrij snel kan leren kozijnen stellen. Het arbeidsbureau in Rotterdam werkt sinds kort ook met deze categorieën.

Sichtman heeft ook gemerkt dat het voor allochtonen en buitenlanders van niet-Westerse komaf bij bepaalde bedrijven veel moeilijker binnenkomen is dan bij andere. “Grote bedrijven hebben de omslag vaak al gemaakt. Die hebben een aparte afdeling personeelszaken die rekening houdt met demografische ontwikkelingen. Werven onder vrouwen en migranten is daar al vanzelfsprekend.”

Een uitzondering vormen banken en verzekeringsmaatschappijen: dat blijven blanke bolwerken. “Die sector wordt ons speerpunt. Veel migranten willen ook in administratieve beroepen werken.” Daarnaast richt men zich op het midden- en kleinbedrijf. Juist daar zijn veel banen, maar er is veelal geen aparte afdeling personeelszaken, waardoor minder zicht bestaat op ontwikkelingen aan de aanbodkant van de arbeidsmarkt.

Een essentiële taak van bureaus als die in Rotterdam en Arnhem is, behalve mensen aan werk te helpen, hen aan het werk te houden. Ze zorgen voor begeleiding op de werkplek. Wanneer iemand bijvoorbeeld een tijdelijke baan heeft voor een jaar, moet de consulent na negen maanden al aan het werk om ervoor te zorgen dat de cliënt niet weer op straat komt te staan. Indien deze niet kan blijven als het contract afloopt, moet er op tijd wat anders worden gezocht. Anders is alle moeite vergeefs geweest.