Brood en boter staan centraal in Amerika

Een reeks van betrekkelijk anonieme Democraten, gouverneurs, oud-gouverneurs en andere politici met een zekere staat van dienst, maakt zich op om in het komende najaar met de Republikeinse kandidaat de strijd om het Witte Huis aan te gaan.

De reeks toont de malaise waarin de Democratische partij sinds de nederlaag in 1980 van Jimmy Carter is geraakt. Twaalf jaar aaneen regeren nu al de Republikeinen en straks heeft de Grand Old Party 28 van de 47 sinds het einde van de Tweede Wereldoorlog verstreken jaren voor haar rekening genomen. De enige Democraat met een nationale staat van dienst en nationale bekendheid is de door schandalen aangeslagen Senator van Massachusetts, Edward Kennedy. De andere Democraat met een zekere nationale bekendheid, Cuomo, gouverneur van New York, heeft zojuist laten weten onder geen omstandigheid aan de race te zullen deelnemen.

De verlamming onder de Democraten is des te bezwaarlijker omdat de Verenigde Staten een alternatief voor het Republikeinse continuüm heel goed kunnen gebruiken. De door de Amerikaanse kiezer in 1988 uitgelokte "cohabitatie' van een Republikeinse regering en een Democratische volksvertegenwoordiging heeft evenmin de gezondmaking van de nationale economie veroorzaakt als dat het geval is geweest met de korte tijd van Ronald Reagans aanvankelijke Republikeinse suprematie. Reagans verkapt Keynsiaanse belastingverlaging van die dagen is uitgemond in het chronische begrotingstekort dat Amerika tot schuldenaar heeft gemaakt. Het is nu praktisch onmogelijk geworden om nog op een werkzaam macro-conomisch of monetair geneesmiddel de hand te leggen. Als president Bush later deze maand met zijn verwachte extra injectie voor de nationale economie komt, zal dat de problemen op termijn alleen maar vergroten. De patiënt zou immers aan een overdosis van dat pepmiddel kunnen bezwijken.

In zijn gewetensnood probeert de president zijn sterkte met zijn zwakte te verbinden. Kortgeleden stelde hij een reis naar het Verre Oosten, met Japan in het middelpunt, uit. Het verwijt dat hij meer tijd en energie besteedde aan de vraagstukken van de wereld dan aan de crisis in eigen land was te luid geworden. De reis had in het teken moeten staan van het Amerikaanse leiderschap en van de nieuwe wereldorde: ook het Verre Oosten lijdt onder de ongewisheid van het einde van de Koude oorlog en de verdwijning van de Sovjet-Unie. De Amerikaanse president had er zijn "nieuwe denken' willen introduceren zoals hij dat ook voor het Midden-Oosten heeft gedaan.

Inmiddels is Bush toch vertrokken, maar zijn reisprogramma en zijn gezelschap zijn sterk gewijzigd. Zakenlieden vergezellen hem en de achterblijvers heeft hij beloofd met banen voor Amerikanen te zullen terugkeren. Anders gezegd, de groeimarkten van het Verre Oosten zullen zich moeten openen voor Amerikaanse produkten en de president zal als een nieuwe Matthew Perry daarvoor zorg dragen. De nieuwe orde lijkt op die manier veel op een oude bekende, die van de "open deur'.

Als Bush er inderdaad in zou slagen Amerika's (tijdelijk?) herwonnen positie op het internationale toneel te gebruiken om de problemen thuis op te lossen, zou zijn herkiezing buiten iedere twijfel kunnen worden geplaatst. Maar de kans dat hij op de markten van het Verre Oosten ruime toegang voor Amerikaanse produkten zal weten te verkrijgen, is praktisch nihil. Bovendien is de president er door de zakenwereld op gewezen dat het al lang niet meer gaat om Amerikaanse afzet in Japan, maar om Japanse afzet in de VS, niet meer om het concurrentievermogen van Amerikaanse ondernemingen in het buitenland, maar juist om dat vermogen binnen de eigen grenzen. Amerikaanse ondernemers die afhankelijk zijn geworden van samenwerking met Japanse bedrijven, en dat zijn niet de minsten, willen al niets meer weten van een oog-om-oog-beleid, uit vrees dat hun compagnons zich verontwaardigd zouden terugtrekken.

Het behoeft onder de geldende omstandigheden dus niet de sterkte van de tegenkandidaat te zijn die in de strijd om het presidentschap beslissend wordt, maar de zwakte van het zittende staatshoofd. In dit jaar 1992 waarin de kanonnen in de mottenballen of naar de schroothoop gaan, staan brood en boter centraal. Teveel Amerikanen hebben daar minder van of hebben het gevoel dat dat zo is dan dat die achteruitgang geen invloed zou hebben op het verloop van de campagne. De roem en glorie, een jaar geleden in de woestijn behaald, zijn vergankelijk gebleken. De prijs die de Sovjet-Unie heeft betaald voor haar onverzoenlijke beleid van weleer herinnert de Amerikanen aan de offers die zij zelf hebben moeten brengen om "het rijk van het kwaad' al die jaren voor te blijven. Bovendien kunnen bij de uitkomst van de balans op het punt van verzekerde veiligheid de nodige vraagtekens worden geplaatst.

Maar alvorens Bush de Democraten zal kunnen ontmoeten, wacht hem nog een ander tournooi. De isolationisten in zijn eigen partij menen na ruim vijftig jaar internationalisme hun gelijk te kunnen aantonen: de bemoeienis met de wereld, het Amerikaanse leiderschap heeft het land de malaise en de crisis bezorgd waarmee het nu heeft te kampen. Vanaf Roosevelts verzet in de jaren dertig tegen de Japanse en vervolgens de Duitse expansie is volgens die redenering alles verkeerd gegaan. De wijze lessen van Amerika's vaderen waren in de wind geslagen. De wereld was en is ongeneeslijk en iedere Amerikaanse inspanning om daarin verbetering te brengen is kansloos en, erger, besmet het eigen land. Slechts volledige afzijdigheid kan Amerika redden, afzijdigheid van vermeende vijanden en van vermeende bondgenoten.

Het valt nauwelijks voor te stellen dat deze stroming op dit moment een wezenlijke kans maakt. Maar het Amerikaanse zelfbeklag is groot genoeg om er ontvankelijk voor te zijn, temeer omdat het altijd prettiger is te veronderstellen dat de ellende de schuld is van een ander. Reagans plan voor een strategische defensie in de ruimte mocht al worden beschouwd als een antwoord op dergelijke gevoelens. Hij voorzag een volk van Amerikanen, onder de ruimtelijke stolp gevrijwaard van de gevaren van de wereld. Toen Bush, kort na zijn aantreden als president, van een zachtzinniger en vriendelijker Amerika sprak, appelleerde hij aan dezelfde, zogenaamd aan het verleden ontleende, voorstelling van een met zichzelf verzoend en veilig Amerika.

De introductie van de nieuwe orde sloot daarentegen de erkenning in dat de wereld en Amerika elkaar niet met rust kunnen en mogen laten - hoezeer beide daaraan van tijd tot tijd behoefte blijken te hebben.