Arme landen keren zich tegen "alleenheerser' VS; Weinig veranderd in "wereldparlement' Verenigde Naties

NEW YORK, 2 JAN. De delegatieruimte in het hoofdkwartier van de Verenigde Naties, waar tijdens de pas afgesloten 46ste zitting van de Algemene Vergadering de meeste ontwerp-resoluties tot stand kwamen, biedt een weids uitzicht over de East River.

Diplomaten hebben er weinig oog voor. In een hoek, onderuitgezakt in te lage fauteuils, discussiëren een Indiase diplomaat en een Westerse collega over de nieuwe wereldorde. De Indiër: “Decennia lang hebben wij de Britten over de vloer gehad. Zij vonden dat wij tegen onszelf in bescherming genomen moesten worden. Nu dreigt hetzelfde te gebeuren, maar ditmaal in VN-verband.”

Polarisering tussen Noord en Zuid is in de plaats gekomen van de verdwenen tegenstellingen tussen Oost en West. Bij de vele positieve resultaten - intrekking van de resolutie die zionisme gelijkstelde aan racisme, de instelling van een speciale noodhulp-coördinator en van een wapenregister - plaatsen Westerse diplomaten een kanttekening. Deze Assemblée heeft een toenemende aversie aan het licht gebracht van ontwikkelingslanden tegen Amerika's positie als "alleenheerser'. Hun onwil om mee te werken aan de nieuwe orde van president Bush is groter dan de hoeveelheid met grote meerderheid van stemmen aanvaarde resoluties doet vermoeden.

In dit forum, ooit bedoeld als "wereldparlement', is weinig veranderd. Het aantal resoluties is slechts een fractie kleiner dan in vorige jaren, ondanks bundeling of in elkaar schuiven van sommige ontwerpen. Westerse VN-waarnemers wijten een toenemend gebrek aan expertise aan een systeen dat in de diplomatie gebuikelijk is: het rouleren van diplomaten na drie, hooguit vier jaar op eenzelfde post. Dit creëert generalisten, geen specialisten. Pasbenoemde VN-gezanten uit de Derde wereld willen niet onderdoen voor hun voorgangers en introduceren steeds weer nieuwe stokpaardjes.

Volgens de Ghanese woordvoerder van de zogeheten groep van 77, sprekend namens 122 ontwikkelingslanden, dansen de VN nu meer dan ooit naar het pijpen van de Amerikanen. De anti-Westerse retoriek van deze nimmer homogene groep, inmiddels uitgegroeid tot een historisch anachronisme, heeft teleurstellend weinig aan felheid ingeboet. De EG, die als brug tussen Noord en Zuid optreedt, is er slechts ten dele in geslaagd de vrees bij de ontwikkelingslanden weg te nemen dat de VS de VN naar hun hand zetten als willoos werktuig in Amerika's buitenlandse politiek. De EG stuitte net als vroeger op groot wantrouwen, resulterend in de beruchte "automatische meerderheid' die de nurkse Jeane Kirkpatrick, tien jaar geleden Amerika's VN-ambassadeur, eens heeft getypeerd als de “bad UN”. Dit in tegenstelling tot de “good UN” - die van de vele humanitaire organisaties.

Hoewel sommige Westerse diplomaten een “nieuwe inschikkelijkheid” van de Derde wereld prijzen, is hiervan bij de onderhandelingen over een hulpcoördinator weinig gebleken. De ontwerp-resolutie waarin de hulpcoördinator supranationale bevoegdheden waren toebedeeld, is grotendeels "uitgekleed', ontdaan van scherpe kantjes. Hij of zij krijgt straks als onmogelijke taak te laveren tussen het heilige soevereiniteitsbeginsel van lidstaten en het recht op noodhulp van een hongerende, lijdende bevolking bij interne conflicten. Op aandringen van de Derde wereld is een clausule opgenomen die de VN-coördinator bij calamiteiten alleen in staat stelt hulpacties te ondernemen met toestemming van de betrokken regering, of na een uitdrukkelijk verzoek van die regering. Net als vroeger. Want het recente verleden wijst uit dat VN-noodhulp altijd sterk afhankelijk is geweest van de politieke wil, of beter gezegd onwil van direct betrokken regeringen, of die van buurlanden. Bij voorbeeld: de VN kregen vorig jaar aanvankelijk geen toestemming van Turkije om een hulpactie voor de gevluchte Iraakse Koerden op touw te zetten. Hulpverleners van de VN in andere landen vergaat het niet anders. In Afghanistan, de Hoorn van Afrika en in Liberia gebruikt de regering-van-de-dag noodhulp als politiek wapen.

De hulpcoördinator ressorteert direct onder de secretaris-generaal. Dit moet hem of haar in staat stellen overlapping of gebrek aan coördinatie te voorkomen tussen de VN-hulporganisaties zoals UNICEF, het Wereld Voedselprogramma, de Wereld Gezondheidsorganisatie en de particuliere organisaties.

Voor de functie circuleren in de wandelgangen inmiddels de namen van de Franse minister voor humanitaire aangelegenheden, Bernard Kouchner, en opnieuw, net als bij de verkiezing van een nieuwe secretaris-generaal, die van prins Sadruddin Aga Khan, verantwoordelijk voor humanitaire hulp aan de Iraakse burgerbevolking.

Een ander initiatief is op gelijksoortig verzet gestuit van de Derde wereld. China, dat weigerde deel te nemen aan stemming, en Pakistan verzetten zich tegen een openbaar VN-register waarin in-en uitvoercijfers van de 166 lidstaten over pantservoertuigen, vliegtuigen en zware artillerie worden verzameld. Zij verscholen zich achter de inmiddels sleetse frase “inmenging in interne aangelegenheden”, die decennia lang gold als excuus om de VN buiten de deur te houden. Pakistan: “Elk land heeft het soevereine recht te beslissen over zijn eigen legitieme defensiebehoeften.”

De vertegenwoordiger van Myanmar (Birma) laakte “moralistische standpunten die in werkelijkheid pogingen verdoezelen om het geëerbiedigde concept van soevereiniteit en de kardinale beginselen van het VN-Handvest aan te tasten”.

Terwijl het Westen, bij monde van onder anderen de Duitse minister Genscher, proclameerde dat schendingen van de mensenrechten voortaan een interne aangelegenheid vormen voor de VN, hamerden niet-Westerse landen in koor op hun recht op ontwikkeling. In ruil kregen ze een serie resoluties “door de strot geduwd” zonder concrete tegenprestaties, zoals een gedelegeerde het weinig diplomatiek uitdrukte.

In hun verzet hadden deze landen de nu vertrokken secretaris-generaal Perez de Cuellar aan hun zijde. Perez de Cuellar noemt het gewapende ingrijpen in de Golf “een alarmerend fiasco van collectieve diplomatie”, terwijl president Bush in zijn VN-toespraak het historische optreden van de volkerengemeenschap tegen Irak bejubelde als “the UN's finest hour”.

Vooralsnog leidde dit mooiste moment in de geschiedenis volgens Perez de Cuellar de aandacht af van de echte uitdagingen waarvoor de volkerenorganisatie zich gesteld ziet, zoals toenemende armoede, massale vluchtelingenstromen, flagrante schendingen van de mensenrechten en een verpest milieu. Zijn opvolger, de Egyptenaar Boutros Ghali krijgt de ondankbare taak de ontwikkelingslanden te verzoenen met de nieuwe orde: de Derde wereld zal zich willens of onwillens moeten onderwerpen aan Amerika's arbitrage en aan een opgedrongen koppeling tussen hulp, mensenrechten en militaire uitgaven.