A'damse Kamer vreest uitstel noord-zuidlijn

AMSTERDAM, 2 JAN. De financiering van een sneltramtraject onder IJ, Centraal Station en Damrak, dat het noorden van Amsterdam met het centrum verbindt, moet zo snel mogelijk worden geregeld. Wordt dit op de lange baan geschoven, dan kunnen potentiële investeerders hun oog op projecten buiten Amsterdam laten vallen.

Dit heeft R.S.L.M. de Vilder, voorzitter van de Kamer van Koophandel en Fabrieken voor Amsterdam, vanochtend gezegd in zijn jaarrede.

“De Noord-Zuidlijn moet de Amsterdamse binnenstad weer tot brandpunt van de regionaal-economische ontwikkelingen maken. Ik mag er nu toch op rekenen dat de financiering wordt geregeld. Maar wat schetst mijn verbazing, dit project staat pas na 2005 in de planning”, aldus De Vilder.

Het vervoer in en rond de hoofdstad baart de Amsterdamse Kamer van Koophandel nog meer zorgen. Volgens De Vilder zijn de aansluiting van de Randstad op de hoge-snelheidstrein en de intercity-verbinding (ICE) naar het Ruhrgebied van enorme betekenis. Ook is de Kamer van Kophandel bezorgd over de capaciteit van het wegennet rond Amstelveen en Buitenveldert. Voorzitter De Vilder keert zich tegen plannen voor een Oosterse markt op de westelijke IJ-oever, die verkeersopstoppingen en parkeerproblemen zou kunnen veroorzaken.

Plannen voor een referendum over een autoluwe binnenstad zijn “het gehele binnenstedelijke bedrijfsleven in het verkeerde keelgat geschoten”, zo zei De Vilder vanmorgen. Hij haalde een ambtelijke notitie aan waaruit blijkt dat per saldo zo'n 20.000 arbeidsplaatsen uit de binnenstad verdwijnen als deze autoluw wordt. Ongeveer een derde van de bedrijven in het Amsterdamse centrum zou afhankelijk zijn van een goede bereikbaarheid per auto.

De Vilder wees in zijn jaarrede op de nadelige effecten van de Golfoorlog op de dienstensector in de hoofdstad. Grote horeca-bedrijven (hotels) en in mindere mate de transportsector en de zakelijke dienstverlening kregen klappen.

Tevreden was De Vilder over de export vanuit de Amsterdamse regio. Deze nam met acht procent toe, tegenover een landelijke groei van minder dan twee procent. Volgens de voorzitter hebben industrie en groothandel voornamelijk voor deze regionale groei gezorgd. Twintig procent van de groothandelsbedrijven klaagt overigens over de ondoelmatigheid van bedrijfsruimte in de hoofdstad.