Vannacht draagt Nederland de hamer over aan Portugal; Europa bleef een tochtig en lekkend huis

Nu Nederland vannacht het halfjaarlijkse voorzitterschap van de Europese Gemeenschap aan Portugal overdraagt, zal er in menig Haags en Brussels regeringsgebouw een zucht van verlichting worden geslaakt. Het zit erop, de klus is geklaard en na ons de zondvloed.

Want van de euforie waarmee Lubbers, Van den Broek en Dankert een half jaar geleden het Nederlandse voorzitterschap ten doop hielden ("Keep in touch with the Dutch' werd er toen gegrapt) is na de slijtageslag van de afgelopen maanden weinig overgebleven. Natuurlijk kon "Maastricht' worden bijgeschreven in de annalen van de Europese geschiedenis, maar hoe houdbaar is Maastricht? Het daar gesloten verdrag lijkt immers op een huis met vele verborgen gebreken.

De nauwere, aan strikte procedures onderworpen, samenwerking op het gebied van de buitenlandse politiek, zoals die werd neergelegd in de wetsartikelen over politieke unie van het vernieuwde Verdrag van Rome, bleek in de praktijk al binnen een paar weken na Maastricht een vrij dode letter: Duitsland erkende Slovenië en Kroatië op 23 december, ook al hadden de ministers afgesproken dat daarmee tot 15 januari zou worden gewacht. "Implementatie' van de erkenning zou pas op 15 januari ingaan, zo luidde het Duitse doekje voor het bloeden, maar Genscher liet wel alvast weten dat die zou doorgaan onafhankelijk van de uitkomst van het onderzoek naar de vraag of de republieken voldoen aan de door de EG gestelde voorwaarden wat betreft democratisering en eerbiediging van de rechten van minderheden.

Ook op andere gebieden deden zich na de sluiting van het verdrag over de "Europese Unie' verrassende één-landsacties voor: de Bundesbank verhoogde haar disconto met een half procent zonder dat de andere partners maar een vermoeden hadden van de omvang van die verhoging. Als ware het om die partners nog eens goed in te peperen dat, hoezeer de Europese Gemeenschap ook mag streven naar een Economische en Monetaire Unie, het uiteindelijk toch de Duitsers zijn die beslissingen over monetaire zaken - die de andere partners, of ze willen of niet, moeten volgen - op eigen houtje nemen.

Ook de Fransen lieten zich niet onbetuigd: zij kondigden de fusie aan van delen van de staatsondernemingen Thomson (die in grote problemen zit) en CEA (die zeer succesvol is) om zich teweer te kunnen stellen tegen buitenlandse concurrentie. Als ware het om zich af te zetten tegen de naar Franse smaak te zeer afgezwakte paragrafen over Europees industriebeleid in het nieuwe verdrag en om te laten zien dat Parijs uiteindelijk de Europese Gemeenschap niet nodig heeft om zijn eigen sterk naar protectionisme neigende industriepolitiek door te zetten.

Het is dus niet te gewaagd om te voorspellen dat het historische aureool dat "Maastricht' begin deze maand kreeg, in de praktijk van klatergoud zal blijken te zijn en dat de "verworvenheden' van december 1991 later niet veel meer dan een pijnlijke herinnering zullen wekken. Even pijnlijk is eigenlijk het hele Nederlandse voorzitterschap geweest. Natuurlijk is er de gebruikelijke voortgang gemaakt met een aantal netelige dossiers die moesten worden afgerond om de interne markt, het Europa zonder binnengrenzen, op 1 januari 1993 te kunnen voltooien. Maar dat is niet zozeer de verdienste van Nederland geweest. Als er beslissingen door Nederlandse ministers met succes door de ministerraden zijn geloodst, dan kwam dat vooral doordat de omstandigheden gunstig waren en de betrokken dossiers al overrijp. Spectaculaire overwinningen zijn niet geboekt of het moest zijn op het gebied van transport, maar dan was dat niet alleen te danken aan minister Maij-Weggen, maar evenzeer aan de Belgische Eurocommissaris Van Miert. Een eervolle vermelding is wel op z'n plaats voor de manier waarop vice-premier Kok de onderhandelingen over de economische en monetaire unie tot een goed einde heeft gebracht.

Het Nederlandse voorzitterschap kwam op een ongelukkig moment. Dat bleek al in juni tijdens de Europese Raad in Luxemburg, vanwaar de Europese trojka van ministers van buitenlandse zaken met ongeëvenaard elan naar Joegoslavië vertrok om de burgeroorlog daar de kop in te drukken. Dat is niet gelukt. Met als gevolg dat het Portugese voorzitterschap nu gedwongen is een "giftig geschenk', zoals premier Cavaco Silva het noemde, aan te nemen. De tegenwerping is natuurlijk dat de Joegoslavische knoop te ingewikkeld is om zomaar te kunnen worden doorgehakt. Maar onweerlegbaar is dat Nederland, redenerend vanuit een zuiver legalistisch standpunt, de kwestie danig heeft onderschat.

Ook op andere punten is de vaak wat naïef aandoende lichtvaardigheid waarmee Nederland zijn internationale taak heeft volbracht, zuur opgebroken. Te weinig is rekening gehouden met de internationale omstandigheden, de “politieke realiteit”. Het meest schrijnende voorbeeld daarvan was de torpedering van het oorspronkelijke ontwerp voor de naar veler lidstaten smaak te ambitieuze plannen voor een politieke unie en de daarop volgende déconfiture aan het slot van de informele ministersbijeenkomst in Haarzuilens toen minister Genscher de dienstauto van zijn Nederlandse collega kaapte om eerder dan zijn gastheer een persconferentie te kunnen geven over de manier waarop volgens Frankrijk en de Bondsrepubliek de veiligheidsdimensie van de Europese Gemeenschap in het nieuwe verdrag moet worden ingebouwd.

Afgezien van de afronding van de intergouvernementele conferenties over de monetaire en de politieke unievorming werd als belangrijkste prioriteit bij het begin van het Nederlandse voorzitterschap de voortgang van de Uruguay-ronde genoemd. Daarvan is niets - zoals de Belgen zouden zeggen - “in huis gekomen”. Sterker nog, we zijn met de liberalisatie van de wereldhandel nog vrijwel niets verder dan we een jaar geleden tijdens de "slot'-conferentie op de Heizel-vlakte in Brussel waren. Wanneer er op 13 januari in Genève geen doorbraak komt op basis van de voorstellen van secretaris-generaal Arthur Dunkel van de GATT - voorstellen die de Europese landbouwministers afgelopen maand al "onaanvaardbaar' hebben genoemd - , dan moet gevreesd worden dat 1992 voor de liberalisatie van de wereldhandel een verloren jaar wordt, net zoals 1991 was. Met de Amerikaanse presidentsverkiezingen in zicht is het immers ondenkbaar dat de VS de EG ook maar de geringste speelruimte zullen geven op het punt van de landbouwsubsidies.

Net zoals de Uruguay-ronde nu al de gijzelaar is geworden van de aanstaande Amerikaanse presidentsverkiezingen, zo is ook het akkoord over de uitbreiding van het Verdrag van Rome de gijzelaar geweest van de Britse Lagerhuisverkiezingen van volgend jaar. Major moest uit Maastricht als triomfator terugkeren en hij is daar, met hulp van Lubbers, ook in geslaagd. De prijs die de Europese Gemeenschap daarvoor heeft betaald, is hoog. De Britten hebben gedaan gekregen dat het “protocol betreffende de sociale politiek” slechts door elf lidstaten wordt ondertekend en dat zij tezijnertijd een eventueel negatieve beslissing over deelneming aan de economische en monetaire unie aan het dan zittende parlement mogen overlaten. Het feit dat dergelijke ontsnappingsformules in het nieuwe verdrag zijn ingebouwd voorspelt weinig goeds voor de toekomst van de Europese Gemeenschap.

Steeds vaker zal het voorkomen dat lidstaten op basis van het nieuwe verdrag zullen trachten zich te onttrekken aan communautaire besluitvorming. De formulering van het befaamde subsidiariteitsbeginsel - dat inhoudt dat beslissingen zo mogelijk op hat laagste niveau, “het dichtst bij de burger”, genomen moeten worden - krijgt wat betreft ondoorzichtigheid en gebrek aan precisie de hoofdprijs: “De Gemeenschap”, zo orakelt het document, “handelt binnen de grenzen van de haar door dit Verdrag verleende bevoegdheden en toegewezen doelstellingen. Op gebieden die niet exclusief onder haar bevoegdheid vallen, treedt de Gemeenschap, handelend volgens het subsidiariteitsbeginsel, slechts op indien en voorzover de doelstellingen van het overwogen optreden door de lid-staten niet voldoende kunnen worden verwezenlijkt en derhalve vanwege de omvang of de gevolgen van het overwogen optreden, beter door de Gemeenschap kunnen worden verwezenlijkt. Een optreden van de Gemeenschap gaat niet verder dan nodig is om de doelstellingen van het Verdrag te verwezenlijken.”

De interpretatie van dit artikel zal naar verwachting nog tot vele meters juridische literatuur leiden. Zoals onlangs een Brits Lagerhuislid in dit verband herinnerde aan de uitspraak van de rups in Alice-in-Wonderland: “Woorden betekenen wat mij goeddunkt dat ze betekenen.” De Europese burger, wie dat ook moge zijn, lijkt het daarom langzamerhand bang te moede te worden. Zekerheden van vroeger zijn weggevallen: tot welke autoriteit moet hij zich wenden, wat zijn zijn rechten en waar moet hij die bepleiten? Europa is een doolhof waardoorheen hij zijn weg slechts met de grootste moeite kan vinden. Om ten slotte uit te komen bij een tochtig en lekkend huis.