Twee vriendinnen en een werkster

Wat was er nou precies gebeurd tussen die drie vrouwen in dat brave, ietwat deftige Utrechtse dorp? Het wilde niet helemaal duidelijk worden voor de Utrechtse politierechter, maar het klonk allemaal nogal ziek, dat wel. Een eenakter van Pinter, daar had het veel van weg. Drank, dreiging, een indringer die de sfeer verpest en maar niet weg wil. En ten slotte: verwoestende woede.

Mevrouw Bertols - in de dertig, blond, blauwe laarsjes, blauwe spijkerbroek, donkerblauw imitatie-leren jack - wordt beschuldigd van een poging tot doodslag op een oudere vriendin, mevrouw Te Winkel. Ten huize van mevrouw Te Winkel plachten beide dames regelmatig hun dagen in alcoholische ledigheid door te brengen. Op zekere dag liep het helemaal uit de hand. Mevrouw Bertols vloog haar vriendin naar de keel en kneep die tamelijk lang dicht.

“Klopt dat, mevrouw?”, vraagt de rechter, mr. A. Scholten.

“Niet helemaal, meneer. We kregen ruzie. Ze zei tegen mij over mijn dochtertje: ,Vergeet je ba....niet'.”

De rechter buigt zich voorover, want de verdachte heeft het cruciale woord zo snel uitgesproken dat het onverstaanbaar was. “Hoe zegt u?”

“Vergeet je bastaard niet”. Ze zwijgt even. “Toen gaf ik haar een klap in het gezicht. Ik pakte haar jurk beet, en we zijn op de grond gezakt.”

“En toen?”

“We hebben liggen rollebollen.”

“Dat kan op een aantal manieren.”

“Ik heb niet haar keel dichtgeknepen.”

“De ogen van het slachtoffer waren dicht, tong naar buiten, leek bewusteloos”, citeert de rechter uit de getuigenverklaringen.

“Heb ik niet gezien”, zegt de verdachte. “Het ging heel snel.”

“Hoe kijkt u erop terug?”

“Het is geen stijl om een vrouw van die leeftijd een klap te geven.”

“Neenee, mevrouw, we praten niet over een simpele klap, maar over een poging tot levensberoving. Dat is het probleem.” De rechter is een wat formeel pratende man en daarom komt zijn scherpe uitval des te harder aan bij de verdachte. Ze zwijgt.

Bij de politie en de rechter-commissaris zou mevrouw Bertols duidelijker zijn geweest. Tegen de politie zei ze: “Ik kneep haar strot hard dicht. Ik bleef dit doen. Ik wilde haar dood maken.” En later tegen de rechter-commissaris: “Misschien wilde ik dat ze doodging.”

“Wat had u toch voor een relatie met mevrouw Te Winkel?” vraagt de rechter.

“Ze was een soort tweede moeder. Ik kwam er dagelijks. Er was een redelijke sfeer.”

Maar bij de rechter-commissaris was ze veel negatiever geweest. Daar had ze mevrouw Te Winkel ervan beschuldigd "onschuldige, jonge vrouwen binnen te lokken en aan de drank te brengen'.

“Waarom kwam u er?” vraagt de rechter.

“Ze heeft ook leuke kanten. Ik kon altijd over alles praten.”

Dan was er nog die vreemde derde vrouw in het spel - de werkster van mevrouw Te Winkel die niet aan de drinkgelagen deelnam en daarom een dominerende figuur kon worden. De werkster kwam, zag de bende en ging niet meer weg. Ze bleef soms hele weekeinden. De politie was er al eens bijgehaald, omdat de werkster de sleutel niet wilde afgeven. De aanwezigheid van haar werkster maakte mevrouw Te Winkel altijd bloednerveus.

Op de avond voor de vreselijke ruzie had mevrouw Te Winkel haar jonge vriendin opgebeld met het dringende verzoek de volgende dag, een vrijdag, te komen. Mevrouw Bertols moest dan de werkster de wacht aanzeggen. Ze had dat die vrijdag ook geprobeerd, maar het zal op de werkster weinig indruk hebben gemaakt. De dames bezatten zich en ruzieden met elkaar, de werkster keek af en toe om de hoek van de deur. Toen de dames al een minuut of tien aan het "rollebollen' waren, kwam ze de schade opnemen: een bijna bewusteloze werkgeefster en een buiten zinnen geraakte vriendin.

“Volgens het rapport van de psychologe verdringt u uw agressieve gevoelens”, zegt de rechter. “Ze exploderen onder invloed van alcohol. Dronk u veel?”

“Ik heb periodes veel gedronken. Nee, nu niet meer. Ik ben in een kliniek geweest. Volgens de dokter heb ik een pre-menstrueel-syndroom. Ik krijg tabletten. Dat helpt, ik heb geen last meer van depressiviteit.”

“Dus u bent nog steeds van de drank af?” De rechter lijkt het nauwelijks te kunnen geloven.

“Ja, meneer.”

“Bevalt het goed? Of zou u nu zin hebben in een sherrietje?” Het klinkt bijna pesterig.

“Nee, meneer”, zegt ze stug. Helaas, want nu rijst de vraag wat de rechter gezegd zou hebben als ze geantwoord had: “Ja graag.”

De officier van justitie, mr. B. Swagerman, wijst erop dat de verdachte haar bekentenissen steeds verder heeft afgezwakt. “U ziet onvoldoende de ernst in”, merkt hij op, “en dat reken ik u aan.” Zijn eis: zes maanden gevangenisstraf waarvan twee maanden voorwaardelijk: de vier onvoorwaardelijke maanden kunnen in dienstverlening (onbetaalde arbeid) worden omgezet. Ook de advocaat, mr. M. de Wit, dringt aan op dienstverlening.

“Wat wilt u nog zeggen?” vraagt de rechter aan de verdachte.

“Of u bij het geven van de straf rekening wilt houden met mijn dochtertje.”

“Wat bedoelt u daarmee?”

“Dat ik bij mijn dochtertje kan blijven.”

“Wat vindt u van de eis van de officier? Had u erop gerekend?”

“Ik had nergens op gerekend.”

“Ik acht de poging tot doodslag bewezen”, zegt de rechter. “Een van de zwaarste misdrijven. Ik weet niet of de officier u terecht aanrekent dat u de ernst niet inziet. Uit de rapporten krijg ik juist de indruk dat dat een van uw problemen is. U heeft geringe psychische spankracht en u was op het moment van de daad gedeeltelijk verminderd toerekeningsvatbaar. Ik veroordeel u tot 24 weken gevangenisstraf waarvan veertien weken voorwaardelijk. De tien weken onvoorwaardelijk zet ik om in honderd uur dienstverlening. Dan is er ook geen verbreking van de relatie met uw dochtertje.”

Kort daarvoor had de rechter aan mevrouw Bertols gevraagd of ze nog wel contact had met mevrouw Te Winkel. “Sporadisch”, antwoordde ze. “Ik vroeg haar eens: wil je me in de gevangenis hebben? Ze zei: positief niet. O ja, haar werkster is niet meer bij haar.”

Om redenen van privacy zijn de namen van de betrokkenen gefingeerd, of weggelaten, uitgezonderd de namen van de rechter, de officier van justitie en de advocaat.