Succes Trappist stijgt broeders niet naar 't hoofd

Populariteit en afzet van Trappist-bier stijgen met sprongen. Maar de Belgische monniken houden de produktie beperkt. “De klanten liggen tegenwoordig voor ons op de knieën”.

Bent u een kapitalist? “Helemaal niet.” Een entrepreneur misschien? “Ha, ha!.” Broeder Antonius lacht licht blozend terwijl twee crucifixen vanaf de hoge muren van zijn werkkamer op ons neerzien. Waarna hij uitweidt over de deugden van het kloosterlijk leven. Gebed, meditatie, studie en vruchtbare handenarbeid in de brouwerij van de Trappisten-abdij van Westmalle. “Wij leven niet om te brouwen”, legt Antonius uit. “Wij brouwen om te leven. En wat wij bovenal zoeken is bezinning en rust.” Helaas wordt die rust schril verstoord door een elektronische pieper onder Broeder Antonius' bruin-beige pij. “Verontschuldigt u mij”, zegt hij en beent op leren sandalen naar een aanpalende bedrijfsruimte om er kort te confereren met een collega.

In Westmalle was het wereldse rumoer voor de Broeders Trappisten, ofwel Cisterciënsers van de Strenge Onthouding, nooit ver weg. Al eeuwen brouwen zij temidden van de weilanden en de hoge bosschages van de Belgische Kempen hun fameuze bier om in het kloosterlijk onderhoud te voorzien en aalmoezen te verspreiden. Eerst aan arme Kempenaren, nu meer aan behoeftigen in Zaïre, India of Bolivia.

Het produkt van de Broeders werd de laatste jaren zo populair dat zij de vraag op geen stukken na meer kunnen bijhouden. “De klanten liggen tegenwoordig op de knieën voor ons”, aldus een abdij-grapje. Antonius, drie andere monniken en 41 leken van buitenaf produceren nu anderhalf miljoen kratten bier per jaar en bereiken daarmee een omzet van 25 miljoen gulden. Het wat zoetige, prikkelende Trappist-bier van Westmalle - van hoge gisting en met hergisting op fles - wordt in twee versies uitgebracht: de "dubbel' (6,5 procent) en de "trippel' (9 procent). België blijft verreweg de grootste markt maar de export naar Frankrijk en Nederland bloeit. Omstreeks 120.000 kratjes zijn dit jaar naar het noorden gereden. Broeder Antonius zou gemakkelijk twee keer zo veel kunnen afzetten maar daarvoor voelt hij weinig. “Wij zitten nu op onze topcapaciteit, misschien nog een percentje of zo er bij maar verder niet. Hoofdzaak blijft de abdij en niet de brouwerij.”

Kortom, de Trappisten-brouwers betrachten wat zij noemen "vrijwillige zelfbeperking'. Niettemin groeide de produktie van bier in Westmalle en de overige vier Belgische Trappisten-brouwerijen sinds l985 met vijftien procent tot bijna 300.000 hectoliter per jaar. Daarmee bestrijken de monniken nu 2,2 procent van de Belgische markt tegen 1,8 procent zes jaar geleden. In waarde ligt het Trappisten-aandeel nog veel hoger want hun bier is behalve sterk gefermenteerd ook stevig geprijsd.

Niet alleen de "vrijwillige zelfbeperking' vertraagt de opmars van het Trappist-bier maar ook het nijpende gebrek aan Trappisten-monniken. Roepingen zijn zeldzaam en de gemiddelde leeftijd van de Broeders in Westmalle ligt rondom de 67.

In het Trappisten-klooster San Remy in het Ardennen-stadje Rochefort dienen zich evenmin jongeren aan die de tucht van het monnikenleven ambiëren. De laatste recruit verscheen er in 1982. Dat heeft zeker bijgedragen aan de fabelachtige werktijden van Frère Antoine, chef van de brasserie. Hij begint 's nachts om twee uur en treft dan de eerste voorbereidingen voor de dagelijkse produktie van de rode, witte en blauwe "capsules' Trappist van Rochefort. Pas de volgende middag om vijf uur verwisselt Frère Antoine zijn zwarte werkplunje voor een bruine monnikspij. Een uur later ligt hij op bed.

Een hard leven? “Ach, ik doe dit al veertig jaar en ik ben dit gewoon”, vertelt de 62-jarige Frère-brouwer in een kille ontvangstkamer vol antieke meubels en spinnewebben. Een wat schrale troost: de andere Frères staan om half vier 's morgens op en gaan 's avonds om half acht naar bed. Bovendien blijft er tussen het brouwen door ruimte voor meditatie en gebed. Frère Antoine: “Vooral 's nachts is het mogelijk een goed geestelijk leven te leiden.” Tot een uur of acht want dan komen de werklieden van buiten, gaat de telefoon ratelen en mengt de devotie zich met de dagelijkse business. De Trappisten van Rochefort kampen evenzeer met een overmaat aan klandizie. Zelfs vertegenwoordigers van Nederlandse speciaalzaken verschijnen met regelmaat aan de abdijpoort. “Ons ambachtelijk bier is in trek”, zegt de voldane Frère Antoine, die alle begrip heeft voor de tanende populariteit van de grote, industriële pils. Hij knoopt daaraan wel vast: “Wij zijn en blijven vrijwillig gelimiteerd. Brouwerij mag geen industrie worden. Twee gistingskuipen van driehonderd hectoliter per dag, en daarmee basta.”

Pag.18:

Trappisten-brouwers volgen uitstekende marktstrategie

Evenals de andere Belgische Trappisten-brouwerijen heeft Rochefort een strenge rantsoenering ingesteld. Vaste klanten maken de meeste kans, anderen krijgen onverbiddelijk te horen: “Komt u over een week of vier maar terug”.

In het verder zuidwaarts gelegen klooster van Orval bedachten de Trappisten een radicale oplossing voor het probleem van de werkdruk. Tot vijf maanden geleden gaf Frère Denis daar leiding aan een brouwerij waar 26 externe employé's jaarlijks 400.000 kratten produceren met een waarde van acht miljoen gulden. Nu hebben zij een echte manager ingehuurd, monsieur Jacques Prete. “Een ganse dag werken in de brouwerij is moeilijk voor een monnik”, vertelt Frère Denis op zachte toon. “Zij hebben andere dingen te doen.” Zoals brood bakken, kaas maken, bomen kappen, boekhouden en huishouden. En dan alle religieuze oefeningen nog. Sommige Frères zijn zelfs te oud om te werken.

Resteert één probleem. Als er geen Trappist meer in de brouwerij werkt, mogen wij dan nog spreken over Trappist-bier? Frère Denis: “Zolang de recepten van ons komen en wij de kwaliteit controleren mag dat.” Manager Prete toont alle begrip voor de groeiende onthechting van de Frères. “Het brouwen en het commercialiseren stellen tegenwoordig de hoogste eisen en dat past niet bij hun levensritme.” Zelf heeft hij intussen een computer aangeschaft. En telefoneerders die op monsieur Prete moeten wachten, horen nu via de abdij-centrale de song "Home on the Range'.

De wereldse manager mag van de monniken zoveel brouwen als hij maar wil, mits de produktie binnen de abdijmuren blijft en het oppervlak van de brouwerij daar niet groeit. Zijn marges zijn daarmee beperkt. Toch denkt Prete de rentabiliteit van de brouwerij van Orval op te voeren door zich op de lucratieve export te richten. Nu al gaat tien procent van het bier naar Zuideuropese landen en naar de Verenigde Staten waar voor een flesje Orval-Trappist bijna evenveel wordt betaald als voor een redelijke fles wijn uit Californië.

De grootste exporteurs van Trappist-bier blijven vooralsnog de Broeders-Trappisten van Chimay, wier negotie zelfs buiten de abdijmuren is getreden. Zij brouwen hun bier als altijd in het klooster maar daarna wordt het "mis en bouteille' in de industriële wijk van het stadje. Daarheen hebben de Broeders ook hun kaasfabriekje verplaatst. Vorig jaar investeerden zij zelfs een deel van hun winst in een plaatselijke melkfabriek en een verpakkingsbedrijf. Phillipe Macq, een energieke manager die op de loonlijst van de Trappisten staat en per auto met boordtelefoon pendelt tussen hun abdij en de industriële wijk, wil bij voorbaat elk misverstand uitsluiten. “Geld interesseert de Broeders niet”, verzekert Macq. “Zij zijn rijk, maar zij leven als armen.”

Feit blijft dat de Trappisten-brouwers van België bij toeval een strategie volgen die uitstekend werkt. Door de markt niet met hun bier te overspoelen, behoudt het een hoge curiositeitswaarde. En dat sluit naadloos aan op het groeiende verlangen van de hedendaagse gebruiker naar speciaal, traditioneel, dan wel ambachtelijk gebrouwen bier. Vorig jaar voorspelde ir. W. Riedijk, specialist ambachtelijke technologie aan de Delftse universiteit tijdens een symposium over kleinschalig brouwen zelfs het einde van het "vlakke biertje'. Want de consument krijgt genoeg van het vrijwel smaak- en kleurloze, met een minimum aan liefde en maximum aan efficiency gebrouwen, nauwelijks meer van elkaar te onderscheiden industriële pils. Misschien is dat wat overdreven. Toch steeg het aandeel van de exclusieve bieren in Nederland van twee procent in 1980 tot twaalf procent vorig jaar. En voorspelde Heinekens eigen topman G. van Schaik afgelopen maart niet dat het aandeel van de exclusieve bieren verder zal toenemen tot 22 procent in het jaar 2000?

Een vooruitzicht dat de Broeders van de Sint-Sixtus-abdij in het Westvlaamse Westmeteren niet op voorhand zal verblijden. Zij drijven België's kleinste Trappisten-brouwerij en produceren per jaar slechts 50.000 kratten die zij merendeels aan de poort verkopen. De Broeders willen dat graag zo houden. Daarom ontraadt Broeder-abt Benedict de journalist beminnelijk doch klemmend een bezoek aan de Sint-Sixtus. “Dat kan reclame betekenen en die willen wij niet”, zegt hij telefonisch. “Wij willen zo weinig mogelijk naar buiten treden en zoveel mogelijk stilte in ons leven bouwen.”

Toch lijken de Trappisten van Westmeteren niet helemaal zonder ambitie. Zij hebben bijvoorbeeld een café aan de overzijde van de abdij gekocht waar een seculaire uitbater nu de drie versies van hun Trappist aan de man brengt - de "Speciale'(6 procent), de "Extra'(8 procent) en de "Abt'(11 procent). Vorig jaar vervingen de Broeders eindelijk de antieke, houten vaten in hun brouwerij en schaften zij voor drie miljoen gulden nieuwe uitrusting aan. Eigenlijk zouden de Westvlaamse Trappisten veel meer kunnen brouwen. Maar kort na de oorlog werd er met de nabije, commerciële Sint-Bernardus brouwerij een merkwaardig akkoord gesloten door een Broeder die, aldus lokale bronnen, “niet zo snugger was”. Daarmee kreeg Sint-Bernardus een bijna-monopolie op het gebruik van Sint-Sixtus' welbekende merknaam. En dat voor 280 gulden per jaar. Volgens Broeder Benedict loopt het akkoord in 1992 af en zijn de Trappisten dan weer vrij om te produceren en verkopen wat zij willen. Hij betwijfelt overigens of die kans zal worden benut. “Wij zijn niet zo sterk op de markt als Westmalle”, aldus de bedeesde Benedict. “Bij ons overkoepelt de abdij de brouwerij.”

Zoals altijd prikkelt succes de concurrentie. Dat merken de Trappisten ook. Zij hebben weliswaar het voordeel dat de merknaam "Trappist' door de Belgische wet wordt beschermd maar grote brouwerijen in België en Nederland proberen deze barrière te omzeilen door zogeheten "abdij-bieren' op de markt te brengen. De Trappisten zijn daar weinig gelukkig mee. “Zij suggereren dat zulk bier door monniken in een abdij wordt gebrouwen”, meent Frère Antoine in Rochefort. “Dat is een beetje parasiteren, hé.” Manager Jacques Prete in Orval spreekt zelfs over bedrog. Broeder Antonius in Westmalle bekijkt het verschijnsel van de abdij-bieren wat milder. “Ik ben 's zomers soms blij dat zij er zijn”, verzucht hij. “Dan halen ze voor ons een beetje de druk van de markt weg.”