Reizen

Ik pak de atlas en bedenk reisplannen voor volgend jaar. De kaart van Oost-Europa is bruikbaarder dan ik hem ooit gekend heb.

Voor het eerst komen de afstanden die op de kaart worden aangegeven met de werkelijkheid overeen. Helsinki-Tallin is ongeveer honderd kilometer, zie ik. Een paar jaar geleden was het nog meer dan duizend, want de snelste weg ging over Moskou. Ik stelde me wel eens een Finse schaker voor die aan een toernooi in Estland wilde meedoen. Uit zijn raam kon hij op een heldere dag de toernooizaal zien, bedacht ik, maar de reistijd was minstens twee dagen. Iedere weg in de Sovjet-Unie ging over Moskou. Alleen tussen Helsinki en Leningrad was in de gangen van het immense door de bureaucraten gebouwde doolhof een klein poezenluikje uitgehakt waardoor dronken toeristen kropen die de snelste weg naar de wodka vonden.

Je ziet wel eens kaartjes waarop de afstanden niet overeenkomen met het aantal kilometers tussen de plaatsen, maar met de reistijd. Gebieden waar het vervoer traag is zijn heel lang uitgerekt op die kaarten, waardoor ze beter overeenkomen met de menselijke ervaring. De gewone kaarten zijn geschikt voor trekvogels.

Het zou een heel karwei zijn om zo een wereldkaart te maken die recht deed aan de manier waarop de politiek in de tweede helft van deze eeuw de afstanden vervormde. Het zou een dynamische kaart moeten zijn, steeds in verandering. De kortste afstand van Havana naar New York ging soms over Praag, soms over Madrid. Op Schiphol kwam ik een keer een Bulgaars schaakteam tegen. Ze hadden in Israel gespeeld en waren op weg naar huis. Voor hen ging de snelste weg van Haifa naar Sofia over Amsterdam, ook al moesten ze daar een nacht op een stoel in de vertrekhal doorbrengen. Het lag misschien niet alleen aan de internationale politieke verhoudingen; de ondoorgrondelijkheden van het moderne vliegtariefstelsel zullen een rol gespeeld hebben, maar ook die komen voort uit politieke besluiten. De kaart zou in Europa gebieden moeten hebben die niet ingetekend waren, alleen een verwijzing, zoals op heel oude kaarten: hier zijn leeuwen.

Ik zag op de Duitse televisie een documentaire over Kaliningrad, het vroegere Königsberg. Sinds kort valt het weer op hoe vreemd die stad ligt, op een eilandje Rusland tussen Polen en Litouwen. Er werd sterk de nadruk op gelegd dat het de stad van Kant was. Een nieuwe trend, denk ik. Straks worden in alle steden van Europa documentaires gemaakt met achtergrondcommentaar van oude Duitse filosofen die er eeuwen geleden geboren werden. Zelf dacht ik, toen ik de beelden van de bruggen zag, aan een andere geleerde.

De zeven bruggen van Koningsbergen, een klassiek probleem uit de wiskunde. Lang hadden de inwoners van deze Duitse stad zich het hoofd gebroken over de vraag of het mogelijk was een ononderbroken wandeling te maken waarbij men iedere brug precies één keer over ging. De Zwitserse wiskundige Euler loste het probleem in 1735 op en hij legde daarmee de grondslag voor het nieuwe wiskundige vak, topologie, dat ik later het mooiste van alle vond en waarin de afstanden tussen punten zo oneindig uitrekbaar en krimpbaar zijn dat er over afstanden niet meer gesproken kan worden. De meetkunde van de magische reis, waarbij de afstand bepaald wordt door de ambtenaar die het visum uitdeelt. Euler presenteerde zijn bevindingen aan de Academie van Wetenschappen in St. Petersburg. Dat lag toen nog dichtbij voor een Zwitser. De politici hadden de afstanden nog niet topologisch uitgerekt, de ruimte was nog Euclidisch. Ik verwacht nog wel eens een metabletische beschouwing in de trant van prof. J.H. van den Berg over het verband tussen de topologie en de invoering van paspoorten en visa.

Reizen kon je het eigenlijk niet noemen, mijn dienstreizen naar het Oostblok. Op Schiphol ging je een deur door die na een paar uur van sterk verlaagd bewustzijn weer openging in Moskou, en daarna werd je als een pop onder de arm genomen, afgezet in een hotel en de volgende dag een nieuwe vliegtuigdeur doorgeschoven. Alleen bij de douane was je alleen, maar de stempels waren in orde, je mocht altijd verder.

De dankbaarheid tegenover het overheidsgezag. Hoe bruter en willekeuriger het optrad, des te groter de vreugde een bevoorrechte te zijn, die verder mocht terwijl anderen werden tegengehouden. En op de terugreis het gevoel: ik mag weg, zij niet. Zoals de Victoriaanse rijkaard zich verkneukelde om de uitgemergelde bedelaars voor de ramen.

Zo maakt het reizen onder overheidsgoedkeuring kleine fascistjes van ons. Een keer zag ik op een Nederlands grensstation iets dat niet voor mijn ogen bestemd was. De onbeschofte manier waarop de marechaussee een mediterrane reiziger toesprak. Alleen omdat ik bang was bemoeide ik me er niet mee, maar later ontleende ik nog wel eens een verachtelijk gevoel van knusheid aan de gedachte aan de sterke bruten bij de grens, die waken opdat wij rustig slapen.

Iedere geslaagde grensovergang een vernederend complimentje van het gezag; je bent weer braaf geweest. En in het vliegtuig al de voorbereiding op je kinderstatus, als de stewardess de rij langsgaat en onder het mom van stoelriemeninspectie de geslachtsdelen van de reizigers keurt. Iedere keer weer de dankbaarheid dat het er mee door kon en dat je niet door een raampje achterin het toestel als ondermaats werd weggegooid.

Er zijn er die trots zijn op hun vernederingen. Ze bewaren hun oude paspoorten en laten blij de stempels zien, als een domme koe die trots in de wei danst met het keurmerk van het slachthuis op haar bil. Ach, het was toch zo gezellig toen we nog een stempeltje kregen aan de grens, wat zullen we dat missen in het nieuwe Europa. Het is niet de eigenzinnige nomade die hier spreekt. Ze moeten met hun familie wel minstens duizend jaar in hetzelfde huis zijn vastgegroeid om het zo gezellig te vinden dat de overheid hun reisjes goedkeurt. Thuis praten ze over de onbeschaamdheid van de echte reizigers. Die noemen zich maar Bram als ze het ene land uitwillen en als ze ergens anders naar binnen willen heten ze opeens Christiaan. Nee, nee, daar vliegen wij niet in, het is één van de twee, ha, ha, kiezen of delen. Triomfantelijke scherpzinnigheid van deze onbezoldigde grenswakers, alsof ze net hoogstpersoonlijk de mathematische logica hebben uitgevonden.