Paniek onder de Conservatieven

Wie zal John Major morgen geloven, wanneer hij de Britse kiezers in zijn nieuwjaarstoespraak voorhoudt dat het in 1992 echt afgelopen zal zijn met de economische recessie? Niet de eigenaar-bewoners van 80.000 huizen, die in het afgelopen jaar de hypotheek niet langer konden betalen en die daarom uit hun huis werden gezet.

Evenmin de eigenaars en werknemers van de 48.000 bedrijven die in het afgelopen jaar failliet zijn gegaan: gemiddeld 130 firma's per dag, van elke denkbare omvang. De meer dan 2,5 miljoen werklozen, aan wier leger nog steeds meer ongelukkigen worden toegevoegd, hebben ook al weinig aan de verzekering dat aan de snelheid van de werkloosheidsstijging een beperkt halt is toegeroepen. En de beleggers die uit het pond sterling vluchtten, toen de Duitse Bundesbank wel en de Bank of England niet de bankrente met een half procent verhoogde? Zij moeten nog zien of de Conservatieve regering, met het vooruitzicht van verkiezingen deze zomer, politieke zelfmoord zal durven plegen door alsnog en opnieuw de bankrente (nog steeds 10,5 procent) op te schroeven als het pond binnen het EMS écht door de vloer van de afgesproken koerswaarde zakt.

Tekenen van Conservatieve verkiezingspaniek zijn er in overvloed. Nu het onderwerp "Europese integratie' na het compromis in Maastricht even van de baan is, concentreert alle aandacht zich opnieuw op het onderwerp dat Major c.s. heel wel de verkiezingsoverwinning kan kosten: de stand van de economie. Kerstmis heeft de detailhandel niet die explosie in Britse bestedingswoede opgeleverd, waarop algemeen was gehoopt. Bij een bankrente van nog steeds 10,5 procent blijft de huizenmarkt, de thermometer voor het geloof in economisch herstel, zo dood als een pier. Het effect doet zich voelen van de textielindustrie tot de makelaarswereld en van banken tot grootwinkelbedrijven.

Norman Lamont, de Britse minister van financiën, deed net voor Kerstmis een kunstgreep om die markt weer op gang te krijgen. Aangespoord door cijfers van de Labour-partij, die voorspelde dat eind 1992 100.000 gezinnen dakloos zouden zijn gemaakt door dezelfde Conservatieve regering, die ze al 12 jaar aanspoort hun eigen huis te kopen, schafte hij bij verrassing even de zegelbelasting (1 procent van de koopsom boven 30.000 pond) af: een meevaller van 600 pond voor de gemiddelde koper van een huis. Tegelijkertijd regelde hij een afspraak met de hypotheekbanken, die er toe moet leiden dat bewoners-hypotheekleners in financiële moeilijkheden niet langer zonder pardon op straat worden gezet, maar hun hypotheeklening (tijdelijk) kunnen omzetten in een huurcontract. Nieuw is ook dat de sociale diensten voortaan de (aanvulling op de) huur niet meer uitkeren aan de huurder, maar rechtstreeks overmaken naar de huiseigenaar-hypotheekbank of woningbouwvereniging.

Die ingreep viel samen met sterke geruchten van een schisma tussen Major en Lamont, waarvoor de verklaring zou zijn dat Lamont er niet in slaagt voorspellingen over een ommekeer in de economie te doen, die ook daadwerkelijk uitkomen. De Chancellor zou daarbij “een rampzalig PR-imago” hebben: gortdroog en snel geïrriteerd. Eerder had Major al ontkend dat hij vóór de komende verkiezingen nog wijzigingen in zijn kabinet zou aanbrengen, maar nu moest hij in het zicht van de geruchten zelfs zover gaan dat hij de arm om de schouders van Lamont legde bij het beantwoorden van een venijnige vraag uit de oppositie in het Lagerhuis. Lamont zelf bevestigde zijn reputatie door bijna woedend weg te lopen uit een televisie-interview, waarin hem gevraagd werd naar de breuk. “Absolute bunkum”, blafte hij de interviewer toe.

Lamont, de man die voor Major de verkiezingen moet winnen door nét op tijd een economische ommekeer te presenteren, is ongeloofwaardig geworden door zijn verzekering dat ongeveer nu de eerste tekenen van een opleving te zien zouden zijn. Het ene onderzoek na het andere levert sombere voorspellingen op: tweederde van de bedrijfsdirecties blijkt in die economische opleving niet te geloven; het aantal faillissementen in 1991 ging met 65 procent omhoog ten opzichte van het jaar daarvoor en dreigt te stijgen van 140 naar 200 per dag in 1992. Het bedrijfsleven, inclusief die trouwste aanhanger van het Conservatief beleid, het Instituut voor Directeuren, vraagt om een verlaging van de bankrente van ten minste 2 à 3 procent, om aan de pijn een einde te maken.

Maar Lamont kan binnen het EMS geen kant op. Het pond sterling staat onder sterke neerwaartse druk nadat de Duitse Bundesbank haar disconto verhoogde. De enige overgebleven oplossing, nu openlijk gepropageerd door sommige Lagerhuisleden uit de Conservatieve achterban, is een herwaardering van het pond binnen het EMS. Het initiëren van een devaluatie zou politiek gezien desastreus zijn voor het “sound money”-imago dat Major en Lamont hoog moeten houden. Een herschikking onder het hoofdje “revaluatie van de D-Mark” - met hetzelfde effect voor de waarde van het pond - zou aan dat bezwaar misschien tegemoet kunnen komen. "Regeringskringen' wakkerden dit weekeinde de suggestie van zo'n herschikking al aan door met kracht te ontkennen dat de Britten het intitiatief zouden nemen.

Labourleider Neil Kinnock zit ondertussen op rozen. Zijn partij staat in de laatste peilingen 3 tot 6 procent voor op de Conservatieven, vooral door een daling in het economisch optimisme. In zijn nieuwjaarsboodschap schilderde Kinnock de wijze waarop het Verenigd Koninkrijk wordt geregeerd dan ook af als “Conservatieve verlamming, af en toe doorbroken door paniek in het vooruitzicht van verkiezingen”. John Major moet dus vandaag meer doen dan alleen beloven, wil hij niet beschuldigd worden van fluiten in de wind.