Ook ik heb recht op een redelijk bestaan

Iedere dag ben ik als vrijwilliger met mensen bezig die kapot gaan aan de manier waarop politici en deskundigen over hen praten.

Nog niet zo lang weet ik dat ook ik een handicap heb die niet geaccepteerd wordt, ondanks het feit dat mijn handicap onzichtbaar is. De hersenbeschadiging die ik heb ligt in het gedeelte van de hersenen waar de lichaamsfuncties worden geregeld. Het beschadigde gebied omvat de volgende functies: automatisme, coördinatie, spierfunctie en temperatuurregeling. Je zou denken dat hiervan toch iets zichtbaar moet zijn. Op bepaalde ogenblikken is dat ook zo, maar ik heb er voor gevochten dat het onzichtbaar blijft.

De enige merkbare handicaps zijn mijn lage tempo, weigerachtige en in de knoop rakende spieren, een ontregelde "thermostaat', de pijn en de vermoeidheid. In mijn jeugd ben ik dertien jaar ziek geweest, de oorzaak werd ook na vele onderzoeken echter niet duidelijk. Op mijn eenentwintigste was de eerder gemiste Atheneum-opleiding weer ingehaald. Daarna wilde ik niet in de bijstand terecht komen, maar zocht en vond ik een baan. Na vier jaar zakte ik bij mijn laatste werkgever in elkaar. Uiteindelijk vond een collega me huilend achter de tekstverwerker. Mijn spieren reageerden niet meer op mijn commando's terwijl niet echt duidelijk was waar de oorzaak lag.

Er zijn mensen die zo graag uit de WAO blijven dat ze vooral niemand willen vertellen dat hun lichaam het niet meer doet. De collega die me op het werk opving gaf me het adres van de Stichting Chronisch Zieke Kinderen (CZK) in Zwolle, waar ik hulp kon zoeken. Daar zijn de onderzoeken begonnen en hoorde ik dat ik een hersenbeschadiging had. Tegelijkertijd kwam ik in het merkwaardige circuit van de Gemeenschappelijke Medische Dienst en de bedrijfsvereniging terecht. De artsen en controleurs van deze instellingen besloten dat ik ondanks de voorgeschiedenis, de uitgebreide medische rapporten en de hersenscans geen recht had op een tijdelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering om mij om te scholen. De conclusie van de onderzoeken bij de stichting CZK was dat ik minder gebruik moest maken van mijn lichaamsfuncties en dat een rechtenstudie me uitstekend zou passen. Maar de GMD vond voldoende "passend' werk waar ik direct mee zou kunnen beginnen: typiste. Dan heb je toch aardig wat lichaamsfuncties nodig, dus zou ik, volgens mijn artsen met dit werk direct weer in de vernieling komen.

Natuurlijk tekende ik beroep aan. De argumenten, waarom er voor mij geen recht zou bestaan op een uitkering, volgden elkaar in snel tempo op. Het was volgens hen een jeugdhandicap: geen recht op WAO en door mijn arbeidsverleden had ik ook geen recht op AAW. Tenslotte adviseerde een deskundige aan de Raad van Beroep om mij gedeeltelijk af te keuren op grond van een psychiatrische afwijking. Dit omdat ik het werk niet aan zou kunnen en nerveus overkwam. En dat was er ook nog die hersenbeschadiging.

Ik had echter geen psychiatrische afwijking; dus verzet ik me tegen die GMD-medewerkers die dat meenden. En als er geen psychiatrische afwijking is, mag je ook niet op die grond afgekeurd worden. Het was inmiddels duidelijk wat er gebeurt als je dat wel toelaat. Nooit meer een baan. De bedrijfsvereniging kan zijn geld houden. Dan maar in de WW en de bijstand. Inmiddels ben ik vertrouwd met mijn handicap, heb mijn propedeuse op zak en ben voorzitter geweest van het Jongerenplatform van de Gehandicaptenraad. Ik zoek nu een part-time baan, maar zit nog altijd lekker in mijn vel. Je zou zeggen een supergehandicapte waar je weinig last van hebt. Daar zit ik nou behoorlijk mee. Moeten gehandicapten zich voortdurend aanpassen, terwijl een aantal niet-gehandicapten pertinent weigert om op een respectvolle manier met mensen met een handicap om te gaan?

Beleidsmakers zouden meer respect kunnen tonen door er geen politiek spelletje van te maken. Wij willen ons best doen, maar alles kan niet van één kant komen. Dit kabinet heeft de mensen met een handicap al een groot aantal rechten ontnomen: de mogelijkheden om een beroep te doen op voorzieningen, of om bepaalde medische kosten van de belastingen af te trekken, zijn beperkt. Het recht op een redelijk bestaan wordt op dit moment weer aangevallen. De coalitie laadt de verdenking op zich, de mensen met een handicap bewust van de arbeidsmarkt af te houden. Samen met de wetgevers en de vakbonden, hebben zij, net zoals de uitvoeringsorganen, nog steeds geen herkenbare inspanning geleverd voor de reïntegratie van mensen met een handicap op de arbeidsmarkt.

In l986 is de Wet Arbeid Gehandicapte Werknemers aangenomen. Op grond daarvan moeten werkgevers een minimum aantal mensen met een handicap in dienst hebben. Na drie jaar zouden de sancties van deze wet voor werkgevers die daar niet aan voldoen, van kracht worden. Dit voorstel werd destijds door de hele Tweede Kamer ondersteund. Nog steeds zijn de sancties niet van kracht. We zien allemaal hoeveel mensen met een handicap nu werk hebben. Ongeveer een tiende van de Nederlandse bevolking is op een of anadere manier gehandicapt. Maar het percentage gehandicapte werknemers ligt naar schatting rond de twee procent, terwijl in de eerdergenoemde wet al van een gemiddeld minimum van vijf procent werd uitgegaan.

Ik heb een advies voor de werkgevers en beleidsmakers. Doe iets aan de werkomstandigheden en geef mensen met een handicap een echte kans op werk, dan kunnen de WAO-rechten onaangetast blijven.