Klamme handen De Gids, dec.1991. Meulenhoff, 76 ...

Klamme handen De Gids, dec.1991. Meulenhoff, 76 blz. ƒ14,90

Het Geluk Tirade 337, 1991-6. Van Oorschot, 94 blz. ƒ17,50

Schoenen vol slakken Maatstaf 1991-11+12. De Arbeiderspers, 159 blz. ƒ36,90

Klamme handen

Honderdvier mensen publiceerden in 1991 in De Gids. Ze staan genoemd op het achterplat van het laatste nummer van deze 154ste jaargang. Ontbrekende redacteuren in de lijst zijn Casimir, Kusters en Adriaan van Dis.

Bestuurslid Harry Mulisch is in dit nummer opnieuw aanwezig met een dubieus aforisme: “Het terrorisme is de prijs, die onze maatschappij moet betalen voor de vrije pers”.

Met koeieletters wordt op dit voorplat G. L. Durlacher aangekondigd met nieuw proza, "In quarantaine'. Negen bladzijden Durlacher is te weinig, maar daar hij de meester der geserreerdheid is, óók veel. Strepen aan de hemel, Drenkeling - Kinderjaren in het Derde Rijk en de op een hereniging uitlopende speurtocht naar oud-kampgenoten in Zoektocht staan schouder aan schouder met Marga Minco's literaire herinneringen en die van Jona Oberski. Zijn nu op schrift gestelde herinneringen zijn gesitueerd in 1956, tijdens een vakantie met zijn gezin in Drenthe, vlakbij het doorgangskamp Westerbork. Onheilspellende nieuwsberichten over de Zesdaagse Oorlog in Israël drijven hem naar het oude kamp, waar de treinrails afgebroken zijn. Durlacher zat er als veertienjarige jongen weken met difterie in de ziekenboeg, toen de transporten uitgesteld werden omdat polio in het kamp was geconstateerd - "Een wedloop met de tijd door verlamde sprinters". In een boek, gemaakt naar Willy Lindwers film "Kamp van Hoop en Wanhoop' vond Durlacher kort geleden foto's van zijn vader, het kampcabaret ("lachsalvo's aan het publiek ontlokken, al waren er 's ochtends duizend mensen naar Polen verstuurd') en van een jeugdliefde, die op miraculeuze en Duits-romantische wijze overleefde.

"Klamme handen' en "bevroren blikken': Durlacher heeft het erover en weet toch sober te blijven. Wat een zeldzaam talent.

Een tweede omslagartikel is van cultureel antropoloog Frank Bovenkerk en gaat over een actueel onderwerp: crimineel gedrag bij Marokkaanse jongens. Moral panic, of een werkelijk verontrustende ontwikkeling? Bovenkerk keert de kwestie zorgvuldig binnenstebuiten en om en om, waarna hij concludeert dat de Nederlandse overheid en instanties terug moeten treden; de Marokkaanse gemeenschap zelf kent de beste oplossingen.

Van Odile Heynders is er een "doordenking van opmerkingen die Flaubert en Jeroen Brouwers in hun brieven maken over literatuur en schrijverschap'; van Huub Beurskens een stuk over zijn "voorbijziendheid' inzake Caravaggio; van socioloog J. Goudsblom het tiende en laatste deel van zijn serie "Vuur en beschaving', tot slot over de lucifer en stads- of bosbranden.

De Gids, dec.1991. Meulenhoff, 76 blz. ƒ14,90

Het Geluk

Tirade presenteert een "Donkere dagen, lichtend proza'-nummer. Hedda Martens opent het met "Benadering', een verhaal dat met Peinzend, verliefd wordt aangekondigd. Peinzend is een goed woord, zoiets eenvoudigs als theezetten wordt bij Martens een tot in het kleinste detail overwogen handeling. Maar: “Zo is er altijd iets dat aan een beschrijving ontsnapt, net als er altijd iets is dat aan je blik zal ontsnappen; wat ontbreekt vult zich aan in je eigen hoofd.”

Verliefd, zwiepend noemt de redactie "Het meisje' van Toine Moerbeek. Zijn verliefdheid richt zich niet op een afwezige, maar op een niet-aanwezige, op een denkbeeld, een illusie. “De jongen die mijn begeerte opwekt is een schandknaap, ook mooi, misschien nog wel mooier, maar hij zet mijn verlangen in het teken van de lustpraktijk, terwijl het meisje, passief, àl mijn zinnen beroert. (-) De jongen is plastisch, het meisje amorf.” Moerbeek vindt zijn gedroomde meisje bij Balthus, Nabokov en Dickens. Ze is dus piepjong. Zwiepend kan zijn tekst niet heten, daarvoor is de aanbidding te ernstig verwoord. “De onrijpheid is een Stralend Geluk, dat ons de moed en de energie geeft om onze bestemming in het leven te vinden. (-) De jeugdvervalsing van Balthus, de pornografie van Nabokov en de moraal van Dickens, alle drie rommelen zij in mijn binnenste, tijdens mijn speurtocht naar Het Geluk.”

Nicolaas Matsier herinnert zich zijn jeugd - het verbijsterend lichte van ogen in het zwarte gezicht van een kolenboer! - en Megchel J. Doewina beschrijft, veel minder overtuigend, de flegmatieke reactie van een onbedorven kind op een verkrachting. “Wat kon het haar ook schelen allemaal. Toch zeker eigenlijk helemaal niks, toevallig?”

Arabist Wim Raven schrijft vanuit Zweden, waar hij een baan aangenomen heeft. De eerste indrukken leveren vooral spleen op. “Zweden is volledig bij de tijd, fris in de verf, perfect gerestaureerd, gekamd en geharkt, maar toch (-) En dan de standsverschillen. Een klassenmaatschappij waarin behoorlijk voedsel en heel de rest alleen is voorbehouden aan een elite.” Graffiti in toiletten is hoofdzakelijk racistisch van aard. “De Nederlandse heren-wc's worden overwegend bekladderd met geiligheden. Die heb ik hier niet gezien, omdat seks blijkbaar niet in de taboe-sfeer ligt. Pornografie ligt gewoon in de supermarkt, tussen de Veronica-gids en het closetpapier, waar het hoort. Racisme daarentegen is streng verboden.”

Tirade 337, 1991-6. Van Oorschot, 94 blz. ƒ17,50

Schoenen vol slakken

Om ons de winterdagen door te helpen maakte Maatstaf een "groot leesnummer'. De namen van onder anderen Eva Gerlach, Frans Pointl, Koos van Zomeren, Maarten 't Hart, F. B. Hotz, Esther Jansma, Jean Pierre Rawie, Ethel Portnoy en August Willemsen lachen ons toe.

Eerst Hotz. In "Muziek' spelen op vier bladzijden twee meeslepende tragedies zich af. Een zoon, de ik-figuur, kwetst bewust en wreed zijn moeder, en de hond van het gezin wordt vals en moet afgemaakt worden.

Henk Romijn Meijer schreef met "Poor Johnny' een ode aan de dit jaar overleden Johnny "Selfkicker' van Doorn en zijn doortastende vrouw. Minder tragiek: Anneke Brassinga publiceert brieven uit Edinburgh, gericht aan haar echtgenoot. “Ik mis je wel heel erg. Op Schiphol liep ik snikkend door de taxfree shops. Tot ik de chocolade zag.” Tussen de sfeertekeningen en anecdotes over haar verblijf als "Europese fellow' in een writer's retreat, een fraai Schots kasteel met uitstekende keuken, offreert zij haar "versjes'. Ze gaan vooral over hunkeren en missen: Niemand - moroser dan repelsteeltje - dat goud moet spinnen - uit strohalmgedachten, - ladders van wachten.

"Hugo' van Frans Pointl is een mooi, karakteristiek verhaal waarbij, hoogst ongebruikelijk in de Nederlandse literaire-tijdschriftenwereld, het copyright (1986-1991) nadrukkelijk door de auteur opgeëist wordt. August Willemsens bijdrage "De zucht naar het Zuiden' sluit mooi aan bij zijn korte Een liefde in het Zuiden, dat in 1988 verscheen als gelegenheidsuitgave van de "februari boekhandels'. In de jaren "50 reisde hij op zijn duim door Frankrijk en Spanje, samen met een vriend of alleen op zoek naar kunst, onburgerlijkheid en Schoonheid. “Lichaamsdelen werden beoordeeld als objets d'art, niet als iets lekkers.” Natuurlijk wordt er armoedig gegeten, véél gedronken (“Die nacht dronken geslapen in een vore tussen de druiven. Heeft het voordeel dat je 's morgens vroeg aan de weg bent, maar wel zaten mijn schoenen vol slakken”), veel moeilijk gepraat en geluierd, maar het meest wordt er geleden; liefde en bewondering, aanrakingen niet gekregen.

Maatstaf opent met "Carst Hakkelaar', een aanval van Maarten 't Hart op Carel Peeters (“wil de letterkunde beboteren met wijsbegeerte”) en zijn mederedactrice Schouten - “Die luistert naar de naam Dinie, wat de afkorting is van de eerste panische gedachte die bij elke man opkomt die haar aanschouwt: 'Die niet'.”

Charles Ducal dicht over zijn moeder: Ik ben van je lichaam, ik ben het vergeten. - Ik oefen mijn mond in "lieveling' en "schat'. - Naast mij ligt een vrouw, even boos, even teder, - even ver van mij af.

Er staat veel moois in dit dubbelnummer, heldere, sprekende gedichten zoals van Luuk Gruwez: O ja, ik ben je trouw, zo gruwelijk trouw. - Ik ben besmet met jou en mij en ons, - en dan?

Maatstaf 1991-11+12. De Arbeiderspers, 159 blz. ƒ36,90